§Reeks II · 07 · Handtekening
Achter op de snelheid
Hoe de institutionele tijd van het Nederlandse openbaar bestuur uit de pas loopt met de tijd waarin technologie zich voltrekt
Samenvatting
In maart 2026 stonden er 1.392 algoritmes geregistreerd in het landelijk Algoritmeregister, gepubliceerd door iets meer dan vijfhonderd overheidsorganisaties. De Nederlandse overheid heeft er naar schatting zestienduizend in gebruik. Slechts twee procent van de algoritmen die direct effect hebben op betrokkenen is gepubliceerd. Een drie jaar oude Kamermotie om registratie wettelijk verplicht te stellen ligt nog steeds te wachten op invoering. Het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes is in februari 2026 herzien tot Versie 2 en gekoppeld aan artikel 27 van de Europese AI-verordening, maar is nog steeds geen eigenstandige wet. De Uitvoeringswet AI-verordening ging op 20 april 2026 in internetconsultatie. De Europese AI-verordening die op 2 augustus 2026 voor hoog-risicosystemen volledig in werking treedt, is door de Europese Commissie zelf in november 2025 alweer voorzien van een uitstelvoorstel omdat de bijbehorende geharmoniseerde normen niet op tijd klaar zijn.
Dit handtekening-essay benoemt het patroon dat door alle vijf voorgaande doorwerkingen heen werkt en dat aan de demografische blindheid van Paper 6 zijn complementaire tegenhanger toevoegt. Waar het vorige paper documenteerde dat het apparaat faalt tegenover toekomsten die het al lang kent, documenteert dit paper dat het apparaat ook faalt tegenover hedens die het niet kan bijhouden. De diagnose is bestuurlijk, niet technisch. Het probleem is geen tekort aan kennis. Het is een snelheidsverschil tussen exogene tijd, waarin technologie zich voltrekt in cycli van maanden, en institutionele tijd, waarin governance, jurisprudentie en aansprakelijkheid zich voltrekken in cycli van jaren tot decennia.
Het handelingsperspectief vraagt niet om afremmen van de exogene snelheid, want dat lukt geen enkele staat alleen. Het vraagt om versnellen van de institutionele aanpassingscapaciteit, naar het voorbeeld van staten die het tempoverschil als ontwerpprobleem zijn gaan behandelen.
§ 01 Een Algoritmeregister dat achteraan blijft lopen
Het landelijk Algoritmeregister van de Nederlandse overheid werd in december 2022 gelanceerd. De aanleiding was de toeslagenaffaire en de vaststelling dat een belangrijk deel van het onrecht aan de inwoners langs algoritmische lijnen was geleverd, zonder dat enige burger of toezichthouder vooraf kon zien welke modellen in welke beslissingsketens werden gebruikt. De gedachte was dat openbaarheid van algoritmen de eerste schakel zou vormen in een keten van publieke controle, die via toezicht, jurisprudentie en wetgeving uiteindelijk zou uitmonden in democratisch beheersbare automatisering. Een redelijke gedachte, geleverd op een redelijk moment.
In de jaren die volgden bewoog het register zich vooruit met de aanvankelijke snelheid van een veerpont. Eind 2023 stonden er 264 beschrijvingen in.¹ Begin 2025, ruim twee jaar na de start, waren het er 730. In maart 2026 waren het er 1.392. Op het eerste gezicht een vervijfvoudiging in twee jaar. Bij nader inzien een fractie van wat het zou moeten zijn. Open State Foundation rekende eerder voor dat slechts twee procent van de algoritmen die direct impact hebben op betrokkenen, op enig moment in het register werd opgenomen.² De Nederlandse overheid wordt geschat op zestienduizend algoritmen in actief gebruik. De Kamermotie om registratie verplicht te stellen ligt al sinds 2022 op tafel. In het kamerdebat van januari 2025 verklaarde de toenmalige staatssecretaris Digitalisering dat hij het in de ministerraad zou bespreken. In april 2026 is dat gesprek nog niet uitgemond in invoering.
Het tempo van het apparaat is, kort samengevat, geen probleem van capaciteit. Het is een probleem van eigenaarschap. Geen bewindspersoon weegt op het moment van zijn aantreden de niet-publicatie van algoritmen mee in het schaderisico van zijn portefeuille. Geen secretaris-generaal stuurt op het percentage hoog-impact-algoritmen dat in het register staat als KPI van zijn directie. Geen interne audit van een uitvoeringsorganisatie meet of de eigen algoritmen aan publicatie toe zijn. Het register bestaat. Het is een instrument zonder hand die het gebruikt.
Tegelijkertijd voltrekken zich op de exogene snelheid van technologische ontwikkeling drie verschuivingen die het register binnen twee jaar achterhaald maken in zijn huidige vorm. De eerste is de opkomst van large language models in het Nederlandse uitvoeringswerk, in de vorm van assistenten voor caseworkers, transcriptiediensten in de jeugdzorg, samenvatting-engines in vergunningverlening en chatbots in de eerste lijn van burgercontact. Ze worden zelden geregistreerd omdat ze niet als “algoritme” worden ervaren door de inkopende lijn. De tweede is de opkomst van predictieve analyse in selectiekamers, fraudeopsporing en handhaving, waar de modellen vaak onder de drempel van een impactvolle algoritmebeschrijving worden gehouden door de gebruikende organisatie zelf. De derde is de externe leverancier-architectuur, waar de Nederlandse overheid in toenemende mate algoritmen niet bouwt maar inkoopt, en daarmee technische, juridische en ethische verantwoordelijkheid in een leveranciersrelatie schuift die noch het register noch de Algemene Bestuursdienst goed kan ontleden.
Wat in 2022 een redelijke eerstehulpinterventie was, is in 2026 een instrument dat door de werkelijkheid zelf is ingehaald. Niet omdat het instrument verkeerd ontworpen is, maar omdat het tempoverschil tussen instrument-ontwerp en exogene ontwikkeling structureel groter is dan een register kan inlopen. De Autoriteit Persoonsgegevens constateerde in maart 2026 in haar zesde Rapportage AI & Algoritmes Nederland dat vier van de negen graadmeters van de AI-Impactbarometer op rood staan, waar dat eerder twee waren.³ Voorzitter Wolfsen formuleerde het in dezelfde rapportage in negen woorden: vijf jaar na het toeslagenschandaal zijn de lessen duidelijk, maar de opvolging blijft achter.
§ 02 De algoritmische dimensie van de toeslagenaffaire
In oktober 2020 publiceerde Trouw het verhaal van de Belastingdienst-risicoclassificaties die kinderopvangtoeslag-aanvragen automatisch op fraudeverdenking sorteerden, mede op basis van nationaliteit en familienaam.⁴ In de jaren die volgden werden delen van deze automatische sortering door de bestuursrechter in strijd met het recht verklaard, mede op basis van het discriminatieverbod uit artikel 1 Grondwet en artikel 14 EVRM. De parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag formuleerde in december 2020 in Ongekend onrecht dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid op alle niveaus had gefaald.⁵ De parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening presenteerde op 26 februari 2024 het eindrapport Blind voor mens en recht, dat de algoritmische dimensie expliciet als constitutief voor het onrecht aanwees. Het kabinet reageerde op 5 december 2024.
Wat in deze opeenvolging van rapporten zelden tot onderwerp van diagnose werd gemaakt, is dat de algoritmische sortering vóór de openbaarmaking in 2020 jarenlang was meegegroeid met de fraudejacht-doctrine zonder dat enige institutionele schakel het tempo van die meegroei had bijgehouden. Het systeem werd in 2014 in productie genomen. Het werd doorontwikkeld in 2015 en 2016. Het ontwikkelde fraudescores op basis van zelflerende data en kreeg in 2018 een uitbreiding waarbij de scores opnieuw werden geijkt op basis van eerdere uitkomsten. De Autoriteit Persoonsgegevens, de Auditdienst Rijk, de Nationale ombudsman, de Algemene Rekenkamer, geen van hen stond op het moment van de doorontwikkeling klaar met een toezichtkader dat de snelheid van de modelaanpassing kon bijhouden. Het AVG-kader werd pas effectief operationeel toen het systeem al ingevreten was. De rechter kwam pas in beeld toen burgers bij honderden aan de poort stonden.
Dat is geen incompetentie van een specifieke functionaris. Het is tempo-asymmetrie. De technische cyclus waarin een score-engine wordt herijkt is een kwestie van weken. De cyclus waarin een toezichthouder een methodologische beoordeling kan opstellen is een kwestie van maanden tot jaren. De cyclus waarin een rechter een systematische rechtsbeginsel-toetsing kan ontwikkelen is een kwestie van jaren tot een decennium. De cyclus waarin een wet wordt aangepast aan een nieuwe technologische realiteit is een kwestie van een wetgevingsperiode of langer. Vier verschillende klokken, in vier verschillende seconden gemeten, en in een race tegen een vijfde klok die in milliseconden tikt.
In de Strategische Driehoek van Mark Moore is dit een klassieke verstoring van de operationele capaciteit, die hier niet ontbreekt door capaciteitsgebrek maar door tempoverschil. De publieke waarde, een rechtvaardige fraudeaanpak, was ondubbelzinnig. De politieke legitimiteit van fraudebestrijding was tijdens de gehele periode 2014-2019 zelfs verhoogd. Wat ontbrak, was operationele capaciteit op de snelheid van de verandering: het vermogen om binnen een redelijke termijn een werkzaam, juridisch houdbaar en ethisch verdedigbaar model te ontwikkelen, te toetsen en te corrigeren. Niet de richting van de driehoek, maar het toerental.
§ 03 De Belastingdienstkluis als technologisch gefaciliteerde dissociatie
Het Statecraft-paper De architectuur van het zwijgen (april 2026) beschreef hoe de Belastingdienst-datakluis zeven jaar lang vierenzestig miljoen documenten kon opslaan zonder dat enige toezichthouder, staatssecretaris of parlementaire commissie de inhoud daarvan zag. De diagnose was institutioneel: de keten van Auditdienst Rijk, Autoriteit Persoonsgegevens, Ombudsman, twee opvolgende staatssecretarissen en een parlementaire enquêtecommissie liet collectief een dossier verdampen waarvan elke schakel formeel correct opereerde.⁶
Wat in dat paper niet werd uitgewerkt, is dat de specifieke schaal van het verdampen technologisch werd mogelijk gemaakt. In de papieren bestuurspraktijk van twintig jaar eerder was vierenzestig miljoen documenten een fysiek probleem. Men had ze niet kunnen opbergen zonder een gebouw, en geen gebouw zonder beheerder. De opslagcapaciteit van een digitale kluis is grenzeloos en stil. Wat erin verdwijnt, neemt geen ruimte in en geeft geen geluid. De beheerder is niet een mens met een sleutelbos maar een serverparkadministrator wiens werk slaagt zolang er niets gebeurt. Dat is een fundamenteel andere conditie. Het apparaat had altijd al de neiging om dingen niet te zien die het ongemakkelijk vond. De digitale technologie heeft die neiging tot een industriële mogelijkheid uitgebouwd.
Dat verklaart het verschil in schaal tussen klassieke organisatorische dissociatie en de digitaal gefaciliteerde versie ervan. In een papier-archief viel een onbeheerd dossier eens in de zoveel tijd op door fysieke aanwezigheid. In een digitale opslag zonder lifecycle-beheer kan een dossier zeven jaar onaangeraakt blijven zonder dat er ergens een belletje gaat. De institutionele capaciteit om “stil verdwijnen” tegen te gaan, was historisch gebouwd op fysieke contraprikkels die in het digitale ontwerp niet zijn vervangen door iets equivalent. Audit-cycli, datalifecyclebeheer en wettelijke vernietigingstermijnen veronderstellen actief beheerderschap. Wanneer het beheer wordt overgelaten aan een infrastructuur die zelf geen agency heeft, slaagt het apparaat erin om vergeten te institutionaliseren.
Het probleem is daarom niet dat technologie organisaties heeft veranderd. Het probleem is dat de institutionele bewerking van technologie achterloopt op de eigenschappen van die technologie zelf. Bij een papier-archief had men de discipline omdat het materiaal hem afdwong. Bij een digitaal archief moet men de discipline expliciet ontwerpen, en dat ontwerpen is niet gebeurd op de snelheid waarop de digitale opslag werd uitgerold. De architectuur van het zwijgen werkt in een digitaal substraat luider dan in een papieren, juist omdat het stiller is geworden.
§ 04 De aandachtshuishouding van de uitvoerende ambtenaar
In Limbic Literacy (House of Viridian, draft 2026) is de aandachtseconomie beschreven als een industriële sector waarin gespecialiseerde ontwerpers, datawetenschappers en gedragsexperts dagelijks werken aan het kalibreren van prikkels die het limbisch systeem van de gebruiker bespelen op een snelheid die het bewustzijn niet kan bijbenen.⁷ De prefrontale cortex reageert in tweehonderd tot vijfhonderd milliseconden, het limbisch systeem in twintig tot vijftig. De verschillende reactiesnelheden zijn niet gradueel maar categorisch. Wat dat boek voor het private leven uitwerkt, geldt op een gewijzigde maar verwante manier voor de werkomgeving van de hedendaagse uitvoerend ambtenaar.
De casus van een dinsdagochtend
In een interim-opdracht in het sociaal domein van een gemeente met ruim honderdduizend inwoners liep ik in de eerste maand een ochtend mee met een Wmo-consulent. De aanleiding was bestuurlijk: de afdeling had een hardnekkig verzuimprobleem en de directeur wilde weten waarom een team van dertig consulenten met formatieve ruimte voor zesendertig structureel ondercapaciteit rapporteerde. De productiviteitscijfers per consulent waren stabiel sinds 2018. De caseload was binnen het VNG-richtsnoer. De medewerkerstevredenheid was middelmatig, niet alarmerend. Op papier was er niets aan de hand. In de praktijk zat een derde van de formatie chronisch in zachte uitval: korte afwezigheden, zelfstandig opgenomen extra dagen, langzame doorlooptijd van keukentafelgesprekken.
De ochtend was instructief. Tussen acht uur en kwart over negen had de consulent zes verschillende systemen geopend: een gemeentelijk dossiersysteem voor het cliëntdossier, een aanpalend systeem voor financiële beschikkingen, het CAK-portaal voor eigen-bijdrage-berekeningen, een regionaal gegevensknooppunt voor zorgaanbieders, een mailbox die in dertig minuten elf nieuwe berichten produceerde waarvan vier intern, drie van zorgaanbieders, twee van cliënten, één van een huisarts en één van Veilig Thuis, en een Teams-omgeving waarin de afdelingschat elke twee tot drie minuten een nieuwe regel toevoegde. Op de mobiele telefoon kwamen daarbij notificaties van een meldsysteem voor crisisgevallen, een zorgcoördinatie-app voor het wijkteam en een persoonlijke kalender. Op het bureau lag een papieren tabblad met de volgorde van de dag, dat één keer was bijgewerkt tussen het eerste en het tweede telefoongesprek. Tegen elf uur, na een huisbezoek dat veertig minuten had geduurd en in de auto onderbroken was door drie inkomende oproepen, vroeg ik de consulent waar zij stond met het ochtendwerk dat zij om acht uur had geprioriteerd. Het antwoord was: nergens.
Dat is geen incident. Het is in 2026 de hoofdmodus van uitvoerend werk. Op het werkstation van een Wmo-consulent, een vergunningverlener, een jeugdconsulent of een KCC-medewerker draaien gemiddeld tussen de zes en tien parallelle systemen. De caseworker bij een gemeente werkt op een bureau met dertig openstaande tabbladen, een mailbox die elke vijf minuten een notificatie produceert, een chatfunctie die het collectieve werkverkeer regisseert, een dossierportaal dat per cliënt vijf systemen in beeld brengt, en in toenemende mate een AI-assistent die voorgeselecteerde aanbevelingen uitspuwt. De vergunningverlener werkt door dezelfde infrastructuur, met daarnaast een rooster van overlegplichten dat over heel het beleidsspectrum loopt. De jeugdzorgmedewerker krijgt op zijn telefoon notificaties van vier verschillende meldsystemen. De integrale aandachtshuishouding van het uitvoerend werk is in vijftien jaar tijd herontworpen langs lijnen die niet door bestuurskundigen zijn getrokken, maar door productontwerpers van software-leveranciers wier business-model afhangt van wat zij aandacht-engagement noemen.
Tempo-asymmetrie in zijn microscopische vorm
In dat herontwerp zit de tempo-asymmetrie van handtekening II in zijn meest microscopische vorm. De productontwerper itereert in tweeweekse sprints. De aanbestedingsregeling is een zaak van maanden. De wijziging van de standaardwerkprocessen in een uitvoeringsorganisatie is een zaak van een tot twee jaar. De wijziging van de Wet politiegegevens, de Algemene wet bestuursrecht of de Wet open overheid is een zaak van een wetgevingsperiode. Het tempoverschil maakt dat geen enkele uitvoerende ambtenaar kan terugkijken op een arbeidsmilieu dat is ontworpen op zijn productie-eigen tempo. Het milieu wordt geleverd op het tempo van de leverancier. Het werk wordt geëvalueerd op het tempo van de wetgever. De medewerker zit ertussenin.
Wat de Nederlandse data laten zien
Het effect daarvan is op drie niveaus meetbaar.
Op macroniveau documenteert de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van TNO en CBS sinds 2015 een gestaag stijgende werkdrukbeleving en een verdubbeling van burn-outklachten. Het percentage werknemers met burn-outklachten steeg van dertien procent in 2015 naar twintig procent in 2024, met een tussenpiek van twintig procent in 2022 en een lichte daling in 2023.⁸ Het gemiddelde beeldschermwerk bedraagt vier komma vier uur per dag; vierenveertig procent werkt langdurig (zes uur of meer) achter een scherm. Voor de bedrijfstak openbaar bestuur ligt het ziekteverzuimpercentage in 2024 op zes komma één procent, structureel boven het landelijke gemiddelde van vijf komma twee procent, en steeg in het eerste kwartaal van 2025 verder naar zes komma negen procent. ArboNed rapporteert dat openbaar bestuur, gezondheidszorg en onderwijs in 2024 de top-drie van bedrijfstakken vormen voor verzuim als gevolg van stress.⁹ De loondoorbetalingskosten van werkgerelateerd ziekteverzuim stegen volgens de Arbobalans 2024 van vijf komma één miljard euro in 2015 naar acht komma drie miljard in 2023, waarvan vier komma negen miljard direct toe te schrijven aan psychosociale arbeidsbelasting.
Op gemeentelijk niveau bevestigt de Personeelsmonitor Gemeenten 2024 het patroon. Het ziekteverzuim bij gemeenten kwam in 2024 uit op zes komma zeven procent (G4-gemeenten op acht procent). Negen op de tien gemeenten noemt werkdruk een actueel HR-thema, en tweeënzeventig procent van de gemeenten nam in 2024 actief werkdrukmaatregelen, oplopend van zevenenzestig procent in 2023.¹⁰ Bedrijfsartsen zien werkdruk en stress in drieënzestig procent van de gevallen als oorzaak van langdurig verzuim. De externe inhuur als percentage van de loonsom kwam uit op zeventien komma vijf procent: in een uitvoeringsdomein waar binnen-gemeentelijke continuïteit per definitie de basiswaarde is, een opvallend hoog cijfer.
Op het niveau van de werkdag zelf is de meting in Nederland nog niet gemaakt. Buiten Nederland wel. Gloria Mark documenteert in Attention Span (2023) op basis van vijf studies bij kenniswerkers dat de gemiddelde aaneengesloten focusduur op één scherm is afgenomen van honderdvijftig seconden in 2004 naar vijfenzeventig in 2012 naar gemiddeld zevenenveertig seconden, mediaan veertig, in haar meest recente metingen. De refocus-tijd na een onderbreking, voor zover het oorspronkelijke werk weer aan bod komt, is gemiddeld vijfentwintig minuten.¹¹ Microsoft documenteerde in zijn Work Trend Index 2025 dat Microsoft 365-gebruikers wereldwijd gemiddeld eens per twee minuten een onderbreking krijgen vanuit een vergadering, e-mail of notificatie, en gemiddeld honderddrieënvijftig Teams-berichten en honderdzeventien e-mails per dag verwerken.¹²
De empirische witte vlek
Op dit punt is een eerlijke methodologische opmerking op zijn plaats. Een Nederlandse meting van aandachtsfragmentatie bij ambtelijke kenniswerkers, op het niveau van Mark’s screen-tracking, bestaat niet. De NEA splitst werkdruk niet uit naar het niveau van digitale onderbrekingen. De Personeelsmonitor splitst werkdruk niet uit naar functiegebied (sociaal domein, vergunningverlening, KCC, jeugdzorg). Het Werkonderzoek 2024 van ICTU toont wel dat slechts tweeënvijftig procent van ambtenaren zich betrokken voelt bij de eigen organisatie en dat eenenvijftig procent vindt dat onderpresteren wordt gedoogd, maar ook deze meting is op functiedomein-niveau niet gedesaggregeerd. De wetenschappelijke literatuur over screen-level bureaucracy is internationaal sterker dan nationaal: Bovens en Zouridis lieten in 2002 zien hoe street-level bureaucraten in toenemende mate plaats maken voor system-level bureaucraten, en Soares, Grimmelikhuijsen en Meijer publiceerden in 2024 een etnografisch onderzoek bij een online-fraudeteam van de Nederlandse politie waarin de cognitieve switch-cost tussen schermen empirisch werd gedocumenteerd.¹³ Wat ontbreekt, is een Nederlandse macro-meting die de claim “digitale aandachtsbelasting in uitvoerend werk is gestaag toegenomen, met meetbare gevolgen” kwantitatief sluit. Voor v2 van dit paper is de driehoek van bewijsmateriaal dus: micro-internationaal (Mark, Leroy, Tarafdar), meso-Nederlands wetenschappelijk (Bovens, Zouridis, Soares, Grimmelikhuijsen, Meijer) en macro-Nederlands statistisch (NEA, Personeelsmonitor, CBS, ArboNed). Wat tussen meso en macro ligt, een directe meting bij ambtelijke kenniswerkers in NL, is een witte vlek die deze diagnose mede agendeert.
Veranderkleuren en Aiki-handelen
In de veranderkleuren van De Caluwé en Vermaak is dit een vraagstuk dat niet in de blauwe planmatige kolom zit waar het gewoonlijk wordt geadresseerd. Het is voor een belangrijk deel rood, namelijk een kwestie van werkbeleving en menselijke maat, en voor een ander deel wit, namelijk een kwestie van zelforganisatie van professionele groepen die hun eigen aandachtsmilieu ontwerpen. De blauwe planmatige aanpak van werkdruk via roosterprogrammering en formatieuitbreiding levert geen oplossing als de oorzaak in de dagelijkse aandachtskalibratie zit. Aiki-handelen op dit dossier zou betekenen dat men de energie van de leverancier-architectuur niet frontaal weerstaat, maar omleidt naar een ontwerpregister waarin uitvoerend werk volgens menselijke aandachtsritmes wordt opgebouwd. Niet een nieuwe wet over schermtijd, maar een nieuwe norm voor aanbestedingsbestekken waarin aandacht-discipline van het ontworpen instrument een meetbare aanvaardingseis is.
In het team waarmee ik die dinsdagochtend meeliep, leverde de eerste maand van interventie geen herontwerp van de softwarestack op, want die ligt in een aanbesteding die een lokale interim-manager niet kan openbreken. Wat zij wel opleverde, was een teamafspraak om Teams-notificaties tussen negen en elf uur uit te zetten, een mailbox die alleen op vaste momenten werd geopend, en een dossierregie die niet meer per cliënt zes systemen achter elkaar opende maar één samenvattend overzichtsscherm dat een gedetacheerd informatie-analist binnen drie weken bouwde uit de bestaande systeem-API’s. Dat zijn micro-interventies met meetbare uitkomst (productiviteit per consulent steeg in twee maanden met ongeveer vijftien procent, het verzuim kantelde lichtjes), maar ze bevestigen wat de paper-claim is: het probleem zit niet in de individuele werkdiscipline, maar in een werkomgeving die op systeemniveau door niemand op aandachtsdiscipline wordt ontworpen.
§ 05 Drie domeinen waar exogene snelheid de institutionele greep ontvlucht
Drie domeinen tonen het tempoverschil in zijn meest beleidsrelevante vorm.
Privacy. De AVG is een Europees kader uit 2016 dat in 2018 effectief werd. De technologische werkelijkheid waarop het kader was gestoeld was de cookie- en e-commerce-realiteit van rond 2014. In 2026 zijn de relevante datastromen verschoven naar real-time bid-systemen, ambient surveillance via internet-of-things, biometrische herkenning in publieke ruimte en grootschalige third-party data-handel. De AVG werkt op deze nieuwe categorieën via uitleg, jurisprudentie en richtsnoeren van de Europese toezichthouders, terwijl de praktijken die zij raken in een commerciële omgeving worden uitgerold die zich elk halfjaar herijkt. De Autoriteit Persoonsgegevens publiceert in 2026 nog jaarverslagen die voor een belangrijk deel gaan over uitleg van een acht jaar oud kader op nieuwe casuïstiek, en voor een veel kleiner deel over anticiperend kaderwerk. Niet bij gebrek aan kunde, maar omdat de wettelijke en institutionele instrumenten op anticiperen niet zijn uitgerust.
Algoritmische rechtsgelijkheid. Het discriminatieverbod werkt sinds de toeslagenaffaire-jurisprudentie ook op algoritmen, mits de werking en de uitkomsten transparant zijn voor de toetsende instantie. Wat in praktijk gebeurt, is dat de toetsende instantie meestal pas in beeld komt nadat de schade is geleden, niet voordat het model in productie is gegaan. Een ex-ante systematische toets op rechtsgelijkheid bestaat in Nederland niet als geïnstitutionaliseerd kader. Het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes is in februari 2026 herzien tot Versie 2 en in lijn gebracht met artikel 27 van de Europese AI-verordening, dat per 2 augustus 2026 een grondrechteneffectbeoordeling (FRIA) verplicht stelt voor publieke organen die hoog-risico-AI-systemen gebruiken. IAMA blijft echter een bestuurlijke handreiking; een eigenstandige wettelijke verplichting tot IAMA bestaat per april 2026 nog niet, ook niet vier jaar na de Kamermotie-Bouchallikh/Dekker-Abdulaziz die haar bedoelde af te dwingen.¹⁴ De Uitvoeringswet AI-verordening, die de Autoriteit Persoonsgegevens en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur gezamenlijk aanwijst als coördinerende nationale toezichthouders en daarnaast tien sectortoezichthouders bevoegdheden geeft, ging op 20 april 2026 in internetconsultatie. De Europese AI-verordening stelt vanaf 2 augustus 2026 hoog-risico-eisen, mits de geharmoniseerde normen op tijd klaar zijn, wat gezien het Digital Omnibus-voorstel van november 2025 niet vaststaat.¹⁵ In het tussentijdse vacuüm gaan modellen in productie zonder ex-ante systematische rechtsgelijkheidstoets, en wordt de correctie achteraf gedaan op een schaal die per definitie reactief is.
Datasoevereiniteit. De Algemene Rekenkamer publiceerde op 15 januari 2025 Het Rijk in de cloud: Donkere wolken pakken samen, een onderzoek waarvan de cijfers niet anders dan ongemakkelijk zijn. De Rijksoverheid gebruikt 1.588 gerapporteerde clouddiensten. Daarvan is zevenhonderd (vierenveertig procent) public cloud, vierhonderdzevenenzeventig private cloud, en bij zesentwintig procent is niet bekend om welke vorm het gaat. Van honderdzesentwintig diensten die als materieel public cloud zijn aangemerkt, is bij vierentachtig (zevenenzestig procent) géén risicoafweging gemaakt, terwijl het Rijksbreed cloudbeleid uit 2022 dat verplicht stelt. Meer dan de helft van de materieel public clouddiensten wordt afgenomen bij Microsoft, Amazon en Google.¹⁶ Collegelid Ewout Irrgang van de Rekenkamer formuleerde in de begeleidende verklaring het soevereiniteitsrisico in zijn eenvoudigste vorm: het risico bestaat dat buitenlandse regeringen, met name de Verenigde Staten via de CLOUD Act, informatie van de Nederlandse rijksoverheid of van burgers kunnen inzien en wellicht zelfs aanpassen. Wat de Rekenkamer niet kon leveren, is een totaalbedrag aan jaarlijkse Rijksuitgaven aan hyperscalers. Dat cijfer ontbreekt in elke openbare bron en is een verifieerbare leemte in het soevereiniteitsdebat.
Per februari 2026 is in het kabinet-Jetten de portefeuille ondergebracht bij staatssecretaris Willemijn Aerdts (Digitale Economie en Soevereiniteit, EZK). Het Rathenau Instituut publiceerde in juli 2025 een drieluik Van digitale afhankelijkheid naar digitale autonomie dat ondubbelzinnig formuleerde dat de samenleving dreigt door de digitale afhankelijkheid van enkele grote technologiebedrijven de regie te verliezen over kernprocessen in onderwijs, zorg en overheidsdienstverlening. De WRR-factsheet Digitale strategische autonomie van 29 april 2025 sloot daarbij aan. Een AIV-rapport van 17 juni 2025 trok de geopolitieke lijn door. De Cyber Security Raad bepleitte in zijn advies aan de informateur 2025/2026 een structurele verhoging van de cybersecurity-uitgaven met zeshonderdnegentig miljoen euro per jaar, in lijn met de NAVO-norm van anderhalf procent. Tussen al deze instellingen bestaat in 2026 inhoudelijke convergentie. De feitelijke verankering bij hyperscalers wordt in dezelfde periode dieper.¹⁷
In alle drie de domeinen geldt hetzelfde patroon. De exogene snelheid van technologische ontwikkeling is een gegeven dat geen Nederlandse interventie kan beïnvloeden. De institutionele snelheid waarmee het gegeven wordt geadresseerd is daarentegen een Nederlandse keuze, gemaakt in een architectuur die voor de meeste van haar bouwstenen op de cycli van de industriële revolutie is gestoeld. Tussen die twee snelheden zit een ravijn dat zich elk jaar verbreedt. Wat aan de overkant van het ravijn moet komen, kan niet door methoden uit de oorspronkelijke architectuur worden ontworpen.
§ 06 Geen incompetentie maar tempo-asymmetrie
De diagnose dient nauwkeurig te zijn. Het Nederlandse openbaar bestuur is in zijn omgang met technologie niet incompetent. De rijksoverheid kent op individueel niveau hoog gekwalificeerde data-analisten, security-officers en ethici. Het Centrum Informatiebeveiliging en Privacybescherming, het Adviescollege ICT-toetsing, het Rathenau Instituut, de Autoriteit Persoonsgegevens en het AI-team van BZK leveren kwalitatief werk dat in internationaal perspectief nauwelijks onderdoet voor wat in vergelijkbare landen wordt gedaan. Ook op universitair niveau is Nederland sterk vertegenwoordigd in algorithmic accountability, AI-ethiek en technologie-recht.
Wat ontbreekt, is geen kennis. Wat ontbreekt, is een institutioneel ontwerp dat de aanwezige kennis op de cycli van de exogene werkelijkheid in werkende vorm aanlandt. Het gangbare ontwerp gaat ervan uit dat een ministerie een vraagstuk identificeert, een advies vraagt, een wetsvoorstel ontwerpt, in consultatie brengt, behandelt, aanneemt, in werking laat treden en uitvoert. De tijd tussen identificatie en uitvoering is in dit ontwerp zelden korter dan vijf jaar, vaak zeven tot tien. In een wereld waarin een fundamenteel nieuwe model-architectuur in twaalf maanden van publicatie tot productiebreed gebruik kan gaan, is dit ontwerpritme functioneel achterhaald. De expertise is er; de schakeling waarin die expertise op operationele snelheid landt, is er niet.
Wie hier “incompetentie” van maakt, kiest voor een diagnose die troostend is voor het apparaat omdat ze suggestief is naar oplossingen die het apparaat al kent. Een betere opleiding van bewindspersonen, een hardere selectie van topambtenaren, een steviger ICT-beleid. Dat zijn maatregelen die binnen het huidige institutionele tempo blijven en het daarom niet kunnen verhelpen. De diagnose tempo-asymmetrie is ongemakkelijker omdat zij naar een oplossing wijst die de architectuur zelf aan moet pakken: een herontwerp van de schakeling, niet een upgrade van de bemensing.
§ 07 Wat staten doen die het tempoverschil als ontwerpprobleem behandelen
In de internationale literatuur figureren vier referenties consistent als landen die institutionele snelheid op exogene snelheid hebben proberen af te stemmen. Geen van hen heeft het probleem opgelost. Alle vier laten zien hoe het ontwerpprincipe verschilt van het Nederlandse, en welke prijs zij voor hun gekozen ontwerp betalen. In de OECD Digital Government Index 2023 scoort Nederland nul komma zesenvijftig, onder het OECD-gemiddelde van nul komma eenenzestig en in een ander licht dan de drie staten die in deze paragraaf als referenties worden besproken.¹⁸
Denemarken — het federale referentiemodel
Denemarken is voor de Nederlandse vraag de bestuurlijk best vergelijkbare casus. Het is een decentrale unitaire staat met sterke gemeenten en regio’s, parlementaire democratie, EU-context, en een schaal die voor de kritische processen vergelijkbaar is met Nederland. Sinds 2001 voert Denemarken zes opeenvolgende gezamenlijke digitaliseringsstrategieën, telkens ondertekend door staat, KL (de Deense gemeenten-koepel) en Danske Regioner. De zevende strategie 2026-2029 is in voorbereiding. Sinds 2022 is Digitaliseringsstyrelsen operationeel onder een zelfstandig Ministerie van Digitalisering. De digitale identiteit MitID wordt door zesennegentig komma zes procent van de bevolking ouder dan vijftien jaar gebruikt. In de Verenigde Naties E-Government Survey 2024 staat Denemarken op de eerste plaats van honderdtweeënnegentig landen.¹⁹
Het Deense ontwerpprincipe is wat hier de spil vormt: een centraal mandaat (Digitaliseringsstyrelsen) werkt mét sterke lokale autonomie, doordat KL en Danske Regioner medeondertekenaars zijn van strategiecycli. Wat Nederland in zijn Rijk-VNG-IPO-verhouding theoretisch zou kunnen reproduceren, heeft Denemarken in een dwingender architectuur ondergebracht: gezamenlijke financiering, gezamenlijke standaarden, gezamenlijke prioriteitenlijst per cyclus. De prijs van het Deense ontwerp is een tijd-investering aan de voorkant van elke cyclus, in onderhandeling tussen drie bestuurslagen die elk hun handtekening eronder moeten zetten. De winst is dat eenmaal gemaakte besluiten op alle bestuurslagen doorwerken zonder elke laag opnieuw aan ontwerpwerk te verbinden. Voor de Nederlandse default, waarin elke bestuurslaag voor zich besluit en de samenhang aan ad hoc-coördinatieoverleg wordt overgelaten, is Denemarken de scherpste illustratie dat federale interoperabiliteit door ontwerp tot stand komt en niet als bijproduct van goede wil.
Estland — radicaal centralisme als post-1991-experiment
Estland heeft sinds 2000 zijn rijksoverheid gedigitaliseerd in een architectuur waarin diensten elkaar via een gestandaardiseerd platform aanspreken (X-Road) en waarin elke burger een digitaal identiteitsbewijs heeft dat de toegang reguleert. De Riigi Infosüsteemi Amet (RIA) heeft als operationele kern een wettelijk monopolie op X-Road-aansluiting en RIHA-registratie, en valt sinds 1 januari 2024 onder een gecombineerd Ministerie van Justitie en Digitale Zaken.²⁰ Het AI- en data-actieprogramma “Kratt” 2024-2026 heeft een budget van vijfentachtig miljoen euro, waarvan twintig miljoen voor open-source AI-bouwblokken. In de UN E-Government Survey 2024 staat Estland op nummer twee, in de OECD DGI 2023 op nummer zes.
De prijs van het Estische ontwerp is conceptueel én contextueel zwaar. Conceptueel: het Estische single-point-of-accountability-model verlegt de zwaartekracht van het apparaat naar één centrale agency, met een sterk wettelijk mandaat. Contextueel: dit is gebouwd in een institutionele leegte van na 1991, op een populatie van iets meer dan een miljoen mensen, in een land dat één van de meest ongelijke samenlevingen van Europa is. Kattel en Mergel beschreven dit in hun analyse uit 2019 als mission mystique and the hiding hand: het Estische digitale wonder werkt mede dankzij verborgen kosten die in vergelijkbare landen niet onzichtbaar gemaakt kunnen worden.²¹ Wat ervan blijft als ontwerpprincipe, is dat institutionele snelheid een ontwerpkeuze is en niet een gegeven, en dat de keuze voor een single point of accountability echt een keuze is, niet een vanzelfsprekendheid.
Singapore — centralistische snelheid in niet-democratische context
Singapore heeft in 2014 het Smart Nation-programma gelanceerd, waarin een centrale Government Technology Agency (GovTech) de bouw, integratie en doorontwikkeling van overheids-IT als single point of accountability beheert. GovTech runt de IT-functies voor zestig procent van de overheidsagentschappen via gedetacheerd personeel. De digitale identiteit Singpass wordt door vrijwel de gehele volwassen bevolking gebruikt. Het Model AI Governance Framework versie 2 (2020) is in 2024 aangevuld met een Generative AI-module en in 2026 met een Agentic AI-module. Instruction Manual 8 is het verplichte ICT-beleidskader voor alle agentschappen, in combinatie met GeBIZ als centrale e-procurement-portal en de AI Verify-toolkit als sandbox.²²
De governance-prijs is hoog. Singapore is volgens Reporters Without Borders nummer honderdzesentwintig van honderdtachtig op de wereld-persvrijheidsindex 2024. SPH Media Trust ontving in 2022-2023 driehonderdtwintig miljoen Singaporese dollar aan staatssteun. Er is geen grondwettelijk recht op privacy en surveillance vereist geen voorafgaande rechterlijke toestemming. De technocratische besluitvorming die Singapore zijn institutionele snelheid levert, is institutioneel verankerd op een manier die binnen een EU-rechtsstaat niet reproduceerbaar is. Wat ervan blijft als ontwerpprincipe, is dat een single point of accountability essentieel is voor het matchen van institutionele en technologische tijd, en dat het mandaat over inkoop een hoeksteen van die match is. Wat onbruikbaar is, is de governance-architectuur waarin dat is ondergebracht.
Verenigd Koninkrijk — illustratie van inkoopmandaat
Het Verenigd Koninkrijk is in deze paragraaf alleen relevant voor één ontwerpprincipe: het mandaat over inkoop. De Government Digital Service (GDS) is sinds 2011 actief; de Central Digital and Data Office (CDDO) heeft sinds 2021 spend controls die HM Treasury heeft gedelegeerd, waardoor GDS digitale uitgaven boven bepaalde drempels moet goedkeuren voordat departementen ze mogen aangaan. In januari 2025 zijn CDDO, GDS, het Incubator for Artificial Intelligence en de Geospatial Commission samengevoegd onder het Department for Science, Innovation and Technology (DSIT). Het AI Safety Institute werd in februari 2025 hernoemd tot AI Security Institute en kreeg een sterkere cyber/security-focus.²³
Wat hier voor Nederland de les is, ligt niet in de geünitariseerde Britse staatsstructuur (die niet vergelijkbaar is) maar in het concrete instrument van de spend-controls. Een gedelegeerde bevoegdheid van het Ministerie van Financiën aan een digitale dienst om uitgaven boven een drempel ex-ante te toetsen, is in het Nederlandse rijk technisch denkbaar en institutioneel niet ongebruikelijk (voor IT-inkoop bij de medeoverheden geldt iets vergelijkbaars via de Adviescollege ICT-toetsing-aanvraag, maar adviserend en niet bindend). Wat het Britse voorbeeld toevoegt, is dat een dergelijk instrument bindend kan zijn en op die manier het tempo van leveranciers-architectuur kan beïnvloeden via de poort van de Rijksinkoop.
Zwitserland — de prijs van vetokracht en consensus
Zwitserland is in deze versie van het paper bewust verschoven van hoofdreferentie naar contraindicatie. De Zwitserse digitalisering werkt sinds 2022 via Digitale Verwaltung Schweiz (DVS), een tripartite organisatie van Bond, kantons en gemeenten met gezamenlijke financiering (twee derde federaal, een derde kantonaal). De Bundeskanzlei sector Digitale Transformation und IKT-Lenkung met circa tachtig medewerkers coördineert federaal niveau. eCH-Verein levert standaarden met aanbevelingen-status. Geen van deze instellingen heeft cross-niveau-doorzettingsmacht. Zwitserland staat in de UN E-Government Survey 2024 op nummer zesentwintig en wordt in de OECD Digital Government Index 2023 én 2025 niet beoordeeld wegens “lack of relevant data”.²⁴
De Zwitserse e-ID-trajectorie is voor het Nederlandse debat illustratief omdat zij toont wat de prijs van consensus en vetokracht concreet kan zijn. Een eerste e-ID-wet werd in 2021 in een referendum verworpen met vierenzestig komma vier procent tegen. Een nieuw voorstel werd op 20 december 2024 door de Federale Vergadering aangenomen, en op 28 september 2025 in een tweede referendum met een marge van vijftig komma negenendertig procent aangenomen. De lancering van de bijbehorende wallet-app Swiyu is op zijn vroegst in het derde kwartaal van 2026. In totaal vijf jaar tussen eerste en effectieve aanvaarding voor één basisbouwsteen van digitale dienstverlening. De Bundeskanzlei zelf formuleert in zijn strategiedocumenten dat de digitalisering in Zwitserland in internationaal perspectief eerder langzaam vooruitkomt.
Voor het Nederlandse debat is dit relevant omdat Nederland in zijn polderarchitectuur een vergelijkbare consensusgebondenheid heeft, zonder de directe-democratische vetorol van de Zwitserse referenda. Wie pleit voor een Zwitsers ontwerp voor de Nederlandse digitalisering, accepteert impliciet dat besluitvorming in een tempo gebeurt dat aan de exogene technologische cyclus structureel achter blijft lopen. Dat is geen Statecraft-positie. Wat van het Zwitserse voorbeeld bruikbaar blijft, is een waarschuwing: institutionele aanpassingscapaciteit die alleen via volledige overeenstemming op alle niveaus tot stand komt, levert in een race tegen technologische cycli structureel achterstand op.
Vergelijkende tabel
In onderstaand overzicht worden de drie ontwerpprincipes (single point of accountability, mandaat over inkoop, anticipatieve reguleringsruimte) afgezet tegen hun institutionele kosten per land. De plustekens en mintekens duiden geen waarderingsoordeel aan, maar de relatieve mate waarin het principe in dat land institutioneel verankerd is. De Nederlandse default is voor referentie meegenomen.
| Land | Single point of accountability | Mandaat over inkoop | Anticipatieve reguleringsruimte | Institutionele kosten |
|---|---|---|---|---|
| Denemarken | Sterk (Digitaliseringsstyrelsen) | Middel (gezamenlijke financiering) | Middel (cyclus-strategie) | Voortijds onderhandelen tussen drie bestuurslagen |
| Estland | Zeer sterk (RIA, X-Road monopolie) | Middel (financiële sturing) | Middel (sectorale ADM-wetten) | Padafhankelijkheid van post-1991 lege staat; schaal niet kopieerbaar |
| Singapore | Zeer sterk (GovTech) | Sterk (IM8, GeBIZ) | Sterk (Model AI Framework + sandbox) | Niet-democratische governance; geen grondwettelijke privacy |
| Verenigd Koninkrijk | Middel (DSIT/GDS-CDDO) | Sterk (CDDO spend-controls) | Middel (sectoraal) | Geünitariseerde staatsstructuur; post-Brexit-context |
| Zwitserland | Zwak (DVS-consensus) | Zacht (AGB-standaarden) | Zwak (referendum-cyclus) | Vetokracht produceert structureel achterstand |
| Nederland (default) | Zeer zwak (gefragmenteerd) | Zacht (advies, niet bindend) | Zwak (wetgevingscyclus 5-10 jaar) | Coördinatielast op elke laag opnieuw |
De Nederlandse default scoort op alle drie de ontwerpprincipes lager dan elke vergelijkingscasus, met als gevolg dat de institutionele kosten zich in Nederland op een andere plaats manifesteren: niet in voortijds onderhandelen of in inperking van democratische tegenkracht, maar in cumulatieve coördinatielast op elk niveau dat een digitaal vraagstuk raakt. De rationelere keuze, in lijn met de Statecraft-positie, is een mengvorm waarin federale interoperabiliteit (Denemarken), inkoopmandaat (Verenigd Koninkrijk) en anticipatieve reguleringsruimte (Singapore, behoudens governance-context) worden gecombineerd onder een Nederlandse bestuurlijke verhouding waarin de drie bestuurslagen formeel mede-eigenaar zijn van de digitale infrastructuur.
§ 08 Handelingsperspectief
De handvatten die uit deze diagnose volgen, zijn er drie.
Een institutionele plaats waar exogene snelheid in tijdige aansturing kan landen. Het Nederlandse apparaat heeft veel adviesorganen, toezichthouders en kennisinstellingen, maar geen schakelplaats waar exogene technologische ontwikkeling op snelheid wordt vertaald in institutionele aansturing. Geen Singapore-GovTech, geen Estisch X-Road-ontwerpteam, geen Deense Digitaliseringsstyrelsen. Een dergelijke schakelplaats hoeft niet groot te zijn. Zij moet wel doorzettingsmacht hebben over het inkoopbeleid van de medeoverheden voor de algoritme- en AI-laag, over de implementatie van interoperabele standaarden die het Nederlandse uitvoeringslandschap als geheel hanteert, en over een gezamenlijke strategiecyclus die door Rijk, IPO en VNG mede wordt ondertekend op de Deense manier. De staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit zou deze rol kunnen invullen, mits de positie wordt voorzien van een operationele dienst met dezelfde aansturingsverhouding als de Inspectie Justitie en Veiligheid voor handhaving heeft, en mits het inkoopmandaat naar Brits voorbeeld bindend wordt gemaakt voor digitale uitgaven boven een nader te bepalen drempel.
Anticipatieve regulering die met de technologische cyclus mee kan lopen. De wetgevingscyclus is in zijn huidige vorm te traag voor de digitale ontwikkelingen die zij moet adresseren. Een aanvullend kader is nodig waarin de regulator op deelterreinen, en onder helder afgebakende voorwaarden, regels kan stellen die binnen weken in werking treden en achteraf parlementair worden bekrachtigd. Het bestaande model van algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen biedt enige aanknopingspunten. Een aangepaste vorm hiervoor, met snellere bekrachtiging en kortere doorlooptijd, zou voor de digitale rechtshandhaving wat de Wet op de noodtoestand voor crisismanagement biedt. Niet om de wetgeving uit te schakelen, maar om haar tempo passend te maken bij wat zij beheerst. De inrichting van regulatorische sandboxes naar Singaporees voorbeeld, met een ethisch en mensenrechtelijk anker dat het Nederlandse rechtsstelsel respecteert, is daarbinnen een tussenvorm die op deelterreinen al beproefd kan worden.
Een soevereine technologische infrastructuur op Europese schaal, met een Nederlandse stem in de governance. De afhankelijkheid van Amerikaanse cloudaanbieders voor essentiële uitvoeringsstromen is op middellange termijn niet houdbaar zonder verlies van soevereiniteit op datavraagstukken. Een herontwerp vraagt om een Europese cloudinfrastructuur op niveau van GAIA-X, maar dan als operationele werkelijkheid en niet als coalitievoorstel. Nederland heeft daarin een rol als governance-stem en als afnemer, niet als unilaterale opbouwer. De Algemene Rekenkamer heeft hierover gepubliceerd. Het Rathenau Instituut heeft erover gepubliceerd. De WRR heeft erover gepubliceerd. De AIV heeft erover gepubliceerd. De Cyber Security Raad heeft erover gepubliceerd. Het ontbreekt aan de bestuurlijke vertaling, en aan de verschuiving van uitgavenbevoegdheid die nodig is om afnameverplichtingen op een Europees alternatief in werkelijkheid te realiseren.
Geen van deze drie handvatten is uniek aan de Statecraft-diagnose. Ze worden door diverse adviesorganen, onderzoekers en beleidsambtenaren al een aantal jaren bepleit. Wat de diagnose toevoegt, is de vaststelling dat zij niet als ICT-vraagstukken moeten worden behandeld, maar als institutionele snelheid-vraagstukken. Wie ze als ICT-vraagstukken adresseert, blijft binnen de cycli van het apparaat dat het probleem zelf produceert. Wie ze als institutionele snelheidsproblemen adresseert, raakt aan de architectuur die in deze hele Statecraft-reeks als de gemeenschappelijke conditie van de gediagnosticeerde doorwerkingen is benoemd.
§ 09 Wat dit voor de Statecraft-reeks betekent
Paper 6, Blind voor bekende toekomst, beschreef de eerste tijdsignatuur die door alle vijf voorgaande doorwerkingen heen werkt: het stelselmatig falen tegenover toekomsten die het apparaat al lang kent. Dit paper beschrijft de complementaire tijdsignatuur. Het stelselmatig achterblijven bij hedens die het apparaat niet kan bijbenen. De twee signaturen zijn elkaars tegenpool, en samen vormen ze een tang waarin de Nederlandse uitvoeringsoverheid in 2026 vastzit. Aan de ene kant gebeurtenissen waarvan de aankomst sinds vijftien jaar op de prognose staat en waaraan het apparaat zich niet aanpast omdat zijn aansturingshorizon korter is dan de planhorizon van die gebeurtenissen. Aan de andere kant ontwikkelingen waarvan de aankomst zo snel gaat dat het apparaat ze niet kan bijhouden, en die vervolgens in zijn binnenste werking landen zonder institutionele bewerking. De vijf vorm-papers hebben elk laten zien hoe de tang zich uitwerkt in een specifiek domein. Eigendomsstructuur, rechtspositie van de individuele burger, kostenverschuiving tussen budgethouders, sociaal weefsel, fysieke ruimte. In elk van die domeinen is bij nader onderzoek niet alleen de doorwerking van institutionele dissociatie zichtbaar, maar ook een specifieke tijdsignatuur die maakt dat de doorwerking niet wordt opgeheven door de bestaande institutionele cyclus.
Het slotpaper, De gestolde tijdgeest, brengt vorm en handtekening samen op samenlevingsniveau. De stelling daar zal zijn dat de cumulatieve uitkomst van vijf doorwerkingen en twee handtekeningen een gestolde tijdgeest is waarin de samenleving haar collectieve handelingsvermogen heeft leren wantrouwen. Niet omdat zij dat vermogen niet meer heeft, maar omdat de bestuurlijke beweging zelf in haar ervaring tot mislukken neigt. De diagnose van de twee handtekeningen verklaart waarom dat geen vooroordeel is van een verzuurde burger, maar een rationele inferentie uit een ervaringsreeks van twintig jaar.
In de praktijklaag van het Handboek De Richting van de Beweging (manuscript in voorbereiding, 2026) is de spiegelvraag van dit paper of de individuele interim-manager kan opereren in een omgeving die de tempo-asymmetrie als baseline kent.²⁵ Het antwoord van het Handboek is dat dit kan, mits de interim-cyclus zo wordt gebruikt dat de eigen werkperiode van de interim-manager niet in de exogene cyclus opgaat maar er een institutionele aanpassingsruimte van maakt. Voor de Statecraft-laag waarop dit paper opereert, betekent dat dat de individuele aanpassing geen substituut is voor het stelselherontwerp dat de exogene snelheid op institutionele aansturing inwisselt. Beide zijn nodig. Geen van beide is voldoende.
§ 10 Slot
In april 2026 staat er ergens in een ministeriële kerstboom een agendapunt over de Wet op het algoritmeregister, met daaronder de toelichting dat de invoering wordt afgewacht in samenhang met de Europese AI-verordening, dat de Europese AI-verordening op 2 augustus 2026 in werking treedt, dat de bijbehorende geharmoniseerde normen niet op tijd klaar komen, dat het Digital Omnibus-voorstel uit november 2025 daarom de werkingsdatum verschuift, dat de Uitvoeringswet AI-verordening sinds 20 april 2026 in internetconsultatie ligt, dat IAMA Versie 2 sinds 16 februari 2026 beschikbaar is maar nog steeds geen wettelijke verankering kent, en dat de Tweede Kamer vier jaar geleden een motie heeft aangenomen waarvan de uitvoering nog steeds in voorbereiding is. Wie het agendapunt leest en daarin een individueel falen ziet, mist het patroon. Wie het patroon ziet, leest het agendapunt als een institutionele tijdsverklaring. Niemand kan opdragen de exogene snelheid te verlagen. Iedereen kan opdragen de institutionele snelheid te verhogen. Dat tweede gebeurt niet, en de afwezigheid van die opdracht is in deze reeks gediagnosticeerd als de kern van de doorwerking.
Het volgende paper in deze reeks, De gestolde tijdgeest, brengt vijf vormen en twee handtekeningen samen in een synthese over de cumulatieve neerslag op samenlevingsniveau. Daar wordt gevraagd wat de optelsom van de hier gediagnosticeerde tempo-asymmetrieën met het zelfvertrouwen van een land doet, en hoe de Statecraft-positiebepaling van constructieve diagnose ruimte opent voor het type stelselherontwerp dat dit paper en zijn voorgangers hebben bepleit.
Colofon
Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering.
Dit paper is het zevende in de Statecraft-reeks Doorwerking, een acht-delige diagnose van de externe symptomatologie van institutionele dissociatie. Achter op de snelheid is de tweede van twee handtekening-essays, naast Blind voor bekende toekomst (april 2026), die samen de tijdsignatuur benoemen die door de vijf vorm-papers heen werkt. Het slotpaper, De gestolde tijdgeest, brengt vorm en handtekening samen in een synthese over de cumulatieve neerslag op samenlevingsniveau.
De reeks bouwt door op het corpus dat in De Richting van de Beweging: Interim-Management in de Publieke Sector (manuscript in voorbereiding, 2026) de praktijklaag levert, in Allemaal Ontheemd de menselijke laag, en in Decline and Revival de civilisatorische tijdslaag. Het Limbic Literacy-werk waarop § 04 van dit paper steunt, ontwikkelt de neurologische pendant van de aandacht-asymmetrie die hier in haar institutionele variant is uitgewerkt. De Ambtenaar.AI-pijler binnen House of Viridian ontwikkelt de operationele schakelplaats die in § 08 als handelingsperspectief is benoemd.
Contact en abonnement: Statecraft.nl/contact
© 2026 House of Viridian OÜ · houseofviridian.org · Statecraft is een pijler van House of Viridian, gewijd aan institutionele wijsheid, crisismanagement en AI-ethiek.
Voetnoten
¹ Algoritmes.overheid.nl, dashboard en releasenotes, geraadpleegd maart 2026: 1.392 algoritmebeschrijvingen, 525 deelnemende overheidsorganisaties. Voor de groei in de tijd: AG Connect, Hoogrisico-algoritmes Justitie komen pas over twee jaar in algoritmeregister (20 december 2023): 264 algoritmen eind 2023; iBestuur, Kamer wil dat overheid de transparantie van algoritmes snel verbetert (3 februari 2025): 610 begin december 2024, 730 eind januari 2025. Zie ook digitaleoverheid.nl, Succes Algoritmeregister mede dankzij Amsterdam (april 2026), met de mijlpaal van meer dan 1.300 publicaties.
² Open State Foundation, ingezonden opinie De Volkskrant, januari 2025: schatting van zestienduizend algoritmen in actief gebruik bij de Nederlandse overheid en circa twee procent dekking van de impactvolle systemen in het Algoritmeregister. Vgl. WRR, Opgave AI: De nieuwe systeemtechnologie, rapport nr. 105 (2021).
³ Autoriteit Persoonsgegevens, Rapportage AI & Algoritmes Nederland (RAN) 6, maart 2026, autoriteitpersoonsgegevens.nl. AI-Impactbarometer: vier van negen graadmeters op rood (was twee van negen). Drie hoofdpunten: AI in werving en selectie groeit met grote risico’s, transparantie en uitlegbaarheid schieten tekort, voorbereiding AI-verordening blijft achter. Voor de DCA-positie zie autoriteitpersoonsgegevens.nl, Department for the Coordination of Algorithmic Oversight (DCA); voor de capaciteitsvraag de AP-memo Een toekomstbestendige AP (Wolfsen, 27 november 2023): zeventig fte bovenop bestaande capaciteit nodig voor AI Act, DSA, DMA en Data Act.
⁴ De toeslagenaffaire is breed gedocumenteerd. Voor de algoritmische dimensie zie Autoriteit Persoonsgegevens, De verwerking van de nationaliteit van aanvragers van kinderopvangtoeslag (juli 2020); ABRvS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2447; en de bevindingen van de parlementaire ondervragingscommissie in Ongekend onrecht (december 2020).
⁵ Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Ongekend onrecht, Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 2, 17 december 2020. Voor de algoritmische dimensie en haar bestuurlijke bewerking: parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening, eindrapport Blind voor mens en recht, Kamerstukken II 2023/24, 35867, nr. 6, gepresenteerd 26 februari 2024 (voorzitter M. van Nispen), met name de delen over risicoselectie en automatisering. Kabinetsreactie 5 december 2024, Kamerstukken II 2024/25, 35867, nr. 13.
⁶ Statecraft position paper De architectuur van het zwijgen: Waarom de datakluis van de Belastingdienst geen incident maar een structureel patroon is (april 2026). Voor de oorspronkelijke aankondiging van de afgeschermde opslag zie de Kamerbrieven van staatssecretaris Snel, april 2019, over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de AVG-conformiteitsoperatie van de Belastingdienst.
⁷ Limbic Literacy: How the Attention Economy Hijacks the Brain and What to Do About It, House of Viridian draftmanuscript (2026), met name hoofdstukken 4 en 13 over de neurologische asymmetrie tussen limbisch systeem en prefrontale cortex.
⁸ Van Dam, Pleijers, Hulsegge & Van den Heuvel (2025), Rapport NEA 2024: Resultaten in vogelvlucht, TNO/CBS, mei 2025, publications.tno.nl. Burn-outklachten 13% (2015) → 20% (2024), gemiddeld beeldschermwerk 4,4 uur per dag, 44% langdurig beeldschermwerk. Voor de trendanalyse 2007-2023: Houtman, I., Thielecke, J., De Vroome, E. & Wiezer, N. (2025), Trends in burn-outklachten in Nederland op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA), Gedrag & Organisatie 38(2): 109-138, doi:10.5117/GO2025.2.002.HOUT, met de bevinding dat langdurig beeldschermwerk de op één na sterkst verklarende werkfactor is voor de stijging van burn-outklachten over 2007-2023, na werktempo. Verzuimkostencijfers via Arbobalans 2024 (TNO 2025-R11108), juni 2025: loondoorbetalingskosten werkgerelateerd verzuim €5,1 mld (2015) → €8,3 mld (2023), waarvan €4,9 mld door psychosociale arbeidsbelasting; gemiddelde verzuimduur bij burn-out 63 dagen.
⁹ CBS Statline, tabel 80072NED Ziekteverzuimpercentage; bedrijfstakken (SBI 2008) en bedrijfsgrootte, geraadpleegd februari 2026; CBS, Ziekteverzuim naar bedrijfstak: ontwikkelingen en verschillen (longread 2024). Openbaar bestuur Q1 2025: 6,9%; landelijk gemiddelde 5,2% (2024). ArboNed (2025), Stijgend verzuim door stress alsmaar groeiend probleem voor werkend Nederland, 20 maart 2025, arboned.nl: openbaar bestuur, gezondheidszorg en onderwijs vormen top-3 van bedrijfstakken voor stressverzuim; gemiddeld 250 dagen uitval bij stress, 318 dagen bij burn-out; bijna een kwart van het verzuim 2024 toe te schrijven aan langdurige stressgerelateerde klachten (+7% j-o-j; +35% over vijf jaar).
¹⁰ A&O fonds Gemeenten (2025), Personeelsmonitor Gemeenten 2024, mei 2025, aeno.nl. Bezetting 200.750 medewerkers (+4,6%), ziekteverzuim 6,7% (2024), G4 8,0%, externe inhuur 17,5% van loonsom, vacaturegraad gemeentesector blijft hoog ondanks lichte ontspanning landelijke arbeidsmarkt. Werkdrukpercepties via aeno.nl/verzuim-actueel: 90% van gemeenten noemt werkdruk een actueel HR-thema (stabiel 2022-2024); 72% nam in 2024 actief werkdrukmaatregelen (was 67% in 2023, 56% in 2022); bedrijfsartsen rapporteren werkdruk en stress in 63% van langdurig-verzuimgevallen als oorzaak. Voor het Werkonderzoek 2024 (BZK/ICTU/Venster, n=36.522): kennisvandeoverheid.nl/organisatiecultuur/werkonderzoek.
¹¹ Mark, G. (2023), Attention Span: A Groundbreaking Way to Restore Balance, Happiness and Productivity, Hanover Square Press; gemiddelde focusduur op één scherm: 150 sec (2004) → 75 sec (2012) → gemiddeld 47 sec, mediaan 40 sec (recente metingen, 5 studies); refocus-tijd na onderbreking: gemiddeld 25 minuten. Voor attention residue: Leroy, S. (2009), Why is it so hard to do my work? The challenge of attention residue when switching between work tasks, Organizational Behavior and Human Decision Processes 109(2): 168-181. Voor het technostress-model: Tarafdar, M., Tu, Q., Ragu-Nathan, B.S. & Ragu-Nathan, T.S. (2007), The impact of technostress on role stress and productivity, Journal of Management Information Systems 24(1): 301-328; in TNO-context toegepast in TNO-rapport 2021-R10998 Technostress (Inspectie SZW, 2021) en de TNO-brochure Technostress reikt verder dan alleen technologie (2023).
¹² Microsoft (2025), Breaking Down the Infinite Workday, Work Trend Index Special Report, juni 2025, microsoft.com/en-us/worklab/work-trend-index/breaking-down-infinite-workday; n=31.000 kenniswerkers in 31 markten incl. Nederland, Edelman Data x Intelligence februari-maart 2025. Microsoft 365-gebruikers worden gemiddeld eens per 2 minuten onderbroken; gemiddeld 153 Teams-berichten en 117 e-mails per dag. Industrie-onderzoek met methodologische beperkingen, hier als illustratief anker, niet als academische bron.
¹³ Bovens, M. & Zouridis, S. (2002), From street-level to system-level bureaucracies: How information and communication technology is transforming administrative discretion and constitutional control, Public Administration Review 62(2): 174-183. Soares, C., Grimmelikhuijsen, S. & Meijer, A. (2024), Screen-level bureaucrats in the age of algorithms: An ethnographic study of algorithmically supported public service workers in the Netherlands Police, Information Polity 29(3): 277-292, doi:10.3233/IP-220070. Voor de Nederlandse uitvoering meer breed: Borst, R. (2024), proefschrift Radboud over digitalisering en publieke waarden bij Belastingdienst, SVB en UWV. Voor het Werkonderzoek-cijfer: ICTU/Venster (2024).
¹⁴ Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes Versie 2, gepubliceerd 16 februari 2026, rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2026/02/16/impact-assessment-mensenrechten-en-algoritmes; in lijn gebracht met artikel 27 AI-verordening (FRIA), gemarkeerd voor hoog-risico-AI-systemen. De Kamermotie-Bouchallikh/Dekker-Abdulaziz (5 april 2022) over wettelijke verplichting IAMA werd aangenomen, maar de bestuurlijke verplichting via het Implementatiekader Algoritmes (IKA) blijft per april 2026 de enige route. Voor de algoritmeregister-zelfclassificatie zie Algorithm Audit / Binnenlands Bestuur (najaar 2025): 14 departementsbrieven met gezamenlijk circa 250 impactvolle algoritmen, waarvan op Financiën 162 impactvol maar nul hoog-risico volgens departement.
¹⁵ Europese Commissie, AI Act, Verordening (EU) 2024/1689; Implementatietijdlijn AI-Verordening, met de relevante data 2 februari 2025 (verboden praktijken en AI-geletterdheid), 2 augustus 2025 (governance en GPAI), 2 augustus 2026 (hoog-risico en algemene toepassing) en 2 augustus 2027 (in regulated products embedded high-risk). Voor het uitstelvoorstel zie het Digital Omnibus-pakket van de Commissie (19 november 2025). Voor de Nederlandse uitwerking: internetconsultatie Uitvoeringswet AI-verordening (UAIA), 20 april - 1 juni 2026, nederlanddigitaal.nl/actueel/nieuws/2026/04/21/internetconsultatie-uitvoeringswet-ai-act-van-start; aanwijzing Autoriteit Persoonsgegevens en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur als coördinerende nationale toezichthouders, plus tien sectortoezichthouders. Maximale boetes onder de AI Act: €35 miljoen of 7% wereldwijde omzet voor verboden AI-praktijken.
¹⁶ Algemene Rekenkamer (2025), Het Rijk in de cloud: Donkere wolken pakken samen, vastgesteld 19 december 2024, openbaar 15 januari 2025, rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2025/01/15/het-rijk-in-de-cloud. 1.588 gerapporteerde clouddiensten; 700 (44%) public cloud, 477 private cloud, 26% type onbekend. Van 126 als materieel public cloud aangeduide diensten heeft 67% (84 diensten) geen risicoafweging gemaakt zoals het Rijksbreed cloudbeleid 2022 vereist. Citaat: “Meer dan de helft van de materieel public cloud-diensten wordt bij Microsoft, Amazon en Google ingekocht.” Quote Irrgang via begeleidende verklaring AR 15 januari 2025. Het rapport bevat geen totaalbedrag aan jaarlijkse Rijksuitgaven aan hyperscalers; dit cijfer is niet uit een primaire openbare bron beschikbaar. Aanvullend: Aanhangsel Tweede Kamer 2024-2025, nr. 1597 (SSC-ICT-migratie 58.000 werkplekken).
¹⁷ Rathenau Instituut (2025), drieluik Van digitale afhankelijkheid naar digitale autonomie, 9 juli 2025, rathenau.nl. WRR (2025), Factsheet Digitale strategische autonomie (Prins & Sheikh), 29 april 2025, op verzoek vaste TK-commissie Digitale Zaken, wrr.nl. AIV (2025), AI: technology, power, and democratic values in the foreign policy of the Netherlands, 17 juni 2025. Cyber Security Raad, advies aan informateur 2025/2026: structureel €690 miljoen per jaar extra cybersecurity, in lijn met NAVO-norm 1,5%. Staatssecretaris Willemijn Aerdts (Digitale Economie en Soevereiniteit, EZK) sinds 23 februari 2026 in kabinet-Jetten.
¹⁸ OECD (2024), 2023 OECD Digital Government Index, OECD Public Governance Policy Papers nr. 44, doi:10.1787/1a89ed5e-en. Nederland: 0,56, onder het OECD-gemiddelde van 0,61. Top-10 (2023): Korea, Denemarken, VK, Noorwegen, Australië, Estland, Colombia, Ierland, Frankrijk, Canada. In de inmiddels verschenen OECD DGI 2025 (OECD, februari 2026, doi:10.1787/dbe102ed-en) zijn de top-3 Korea, Australië en Portugal en is het OECD-gemiddelde opgeschoven naar 0,70. De Nederlandse score loopt in die meting van 0,32 (2023) naar 0,51 (2025). De Nederlandse positie blijft daarmee onder het OECD-gemiddelde, ook na revisie.
¹⁹ Digitaliseringsstyrelsen (2025), 25 års fælles digitaliseringsstrategier, digst.dk; The Joint Government Digital Strategy 2022-2025 (zesde achtereenvolgende sinds 2001), ondertekend door staat, KL en Danske Regioner; opvolger 2026-2029 in voorbereiding. MitID-adoptie 96,6% van de bevolking ouder dan 15 jaar (Queue-it, How Denmark Became a Digital Government Global Leader, 2024). Verenigde Naties (2024), E-Government Survey 2024, EGDI 0,9847 (rang 1 van 192).
²⁰ Riigi Infosüsteemi Amet (RIA), ria.ee/en/authority-news-and-contact/authority-and-management/tasks-and-structure-authority. Sinds 1 januari 2024 onder Ministerie van Justitie en Digitale Zaken. Kratt 2024-2026 (AI & Data Action Plan), €85 mln budget, €20 mln voor open-source AI-bouwblokken; interoperable-europe.ec.europa.eu/collection/open-source-observatory-osor/news/estonia-invests-eu20-million-open-source-ai. UN E-Government Survey 2024 (rang 2, EGDI 0,9727); OECD DGI 2023 (rang 6, score 0,74). Voor de inkoopcijfers OECD (2025), Strategic Public Procurement and Professionalisation Initiatives in Estonia: Full Report, doi:10.1787/56e03f80-en.
²¹ Kattel, R. & Mergel, I. (2019), Estonia’s Digital Transformation: Mission Mystique and the Hiding Hand, in: M. Compton & P. ‘t Hart (eds.), Great Policy Successes, Oxford University Press, doi:10.1093/oso/9780198843719.003.0008. Bevat de analyse van padafhankelijkheid van post-Sovjet “lege staat” 1991, sociale prijs (Estland is een van meest ongelijke samenlevingen Europa) en schaal-onverenigbaarheid (1,375 mln inwoners versus NL 17,9 mln).
²² GovTech Singapore, tech.gov.sg/about-us/who-we-are/; Singapore Smart Nation 2 (1 oktober 2024), mddi.gov.sg/newsroom/smart-nation-2-press-release/. UN MSQ2024 Singapore submission, publicadministration.un.org: GovTech runt IT-functies voor 60% van overheidsagentschappen via gedetacheerd personeel. Model AI Governance Framework v2 (2020); Generative AI-versie (mei 2024); Agentic AI-versie (januari 2026). Reporters Without Borders, World Press Freedom Index 2024: Singapore 126 van 180. UN E-Government Survey 2024 (rang 3, EGDI 0,9691).
²³ Government Digital Service, gov.uk; CDDO (Central Digital and Data Office) en GDS samengevoegd onder DSIT, januari 2025, publictechnology.net/2025/01/21/education-and-skills/cddo-brought-back-into-gds-in-digital-government-shake-up/; spend-controls gedelegeerd door HM Treasury, gov.uk/government/publications/roadmap-for-digital-and-data-2022-to-2025. AI Safety Institute hernoemd tot AI Security Institute per 14 februari 2025, freevacy.com/news/uk-government/uk-announces-ai-safety-institute-will-become-ai-security-institute/6135. UN E-Government Survey 2024 (rang 7); OECD DGI 2025 (rang 4, score 0,84).
²⁴ Bundeskanzlei, Digitale Transformation und IKT-Lenkung, bk.admin.ch/bk/en/home/digitale-transformation-ikt-lenkung/bereichdti.html; Digitale Verwaltung Schweiz (DVS), digitale-verwaltung-schweiz.ch, sinds 1 januari 2022; Strategie DVS 2024-2027 (in werking 1 januari 2024). UN E-Government Survey 2024 (rang 26); niet beoordeeld in OECD DGI 2023 én 2025 wegens “lack of relevant data”. Eerste e-ID-wet verworpen in referendum 2021 (64,4% tegen); nieuw voorstel aangenomen door Federale Vergadering 20 december 2024; tweede referendum aangenomen 28 september 2025 met marge van 50,39%; lancering wallet-app Swiyu op zijn vroegst Q3 2026. Library of Congress, Switzerland: Voters Approve Electronic ID Law in National Referendum, Global Legal Monitor, 4 december 2025, loc.gov/item/global-legal-monitor/2025-12-04/.
²⁵ J. Huibers, De Richting van de Beweging: Interim-Management in de Publieke Sector (manuscript in voorbereiding, 2026), met name de hoofdstukken over de interim-cyclus, borging als KPI en de Aiki-methode als institutioneel ontwerpprincipe.