Statecraft

10 mei 2026 · essay

De dubbele staat

Een korte ideeëngeschiedenis van het besturen

door Jacob Huibers · Read in English →

§01 De vergeten lijn

[1] Bij gemeenten van enige omvang kom je ze tegen, mensen met dertig dienstjaren in het openbaar bestuur die alle bewegingen kennen, alle dossiers, alle politieke ritmes, en die nooit een regel Weber hebben gelezen. Ze weten precies hoe een centrumconstructie werkt, kunnen dromen wat een ravijnjaar is, hebben drie reorganisaties overleefd, en als je hen vraagt naar de ideeëngeschiedenis van hun eigen beroep ontstaat er een vriendelijke leegte. Dat is niet hun fout. De Nederlandse bestuurskundige opleiding is in de afgelopen drie decennia stelselmatig verschoven van een historisch-filosofische naar een management-instrumentele vorming. Wat in het curriculum overbleef is praktisch, hanteerbaar en ahistorisch.

[2] Dit Kompas wil een lijn herstellen die ergens halverwege de twintigste eeuw is afgebroken. Het patroon dat Statecraft in publicaties als Gedissocieerde Organisaties1 en Patroon Den Haag heeft beschreven, de hardnekkige scheiding tussen de staat zoals hij zich voordoet en de staat zoals hij werkt, is geen recente ontdekking en evenmin een Nederlandse bijzonderheid. Sinds er denken bestaat over besturen, denkt men ook over die scheiding. Augustinus, Hegel, Marx, Tocqueville, Weber, Crozier, Lipsky en Moore hebben hem in successievelijk verschillende bewoordingen gevangen. De namen veranderen, de structuur niet.

[3] Marx schreef in 1843, vijfentwintig jaar oud, op de vlucht voor de Pruisische censuur:

De bureaucratie is de imaginaire staat naast de werkelijke staat. Zij is het spiritualisme van de staat. Daardoor krijgt alles een dubbele betekenis: een werkelijke betekenis en een bureaucratische, en zo bestaat er werkelijke kennis en bureaucratische kennis.2

[4] Wie deze drie zinnen leest met de toeslagenaffaire in het achterhoofd, ziet wat er aan de hand is. De werkelijke betekenis: dit zijn ouders die kinderopvangtoeslag aanvragen. De bureaucratische betekenis: dit zijn risicocodes, signaalpatronen, fraudeprofielen. De werkelijke kennis: deze families hebben hun aanvragen correct ingediend. De bureaucratische kennis: het systeem rapporteert hen als verdacht. Wanneer de twee uiteenlopen wint in de regel de bureaucratische, want zij is het medium waarin het systeem zichzelf adresseert. Marx noemde dat in 1843 het spiritualisme van de staat. Honderdtachtig jaar voor de affaire kinderopvangtoeslag was de structuur al beschreven.

[5] Het doel van dit Kompas is bescheiden en concreet. Het biedt geen volledige geschiedenis van de bestuurswetenschap. Het tekent een lijn van denkers die elk een sleutelinzicht hebben toegevoegd aan het begrip van wat besturen is en hoe het misgaat. Dat doet het in de overtuiging dat een beroep dat zijn eigen ideeëngeschiedenis is kwijtgeraakt, zichzelf moeilijk kan corrigeren. Wie niet weet dat dezelfde patronen al twintig eeuwen worden waargenomen, denkt al snel dat zijn huidige worsteling uniek is, of dat de oplossing in de volgende reorganisatie ligt. Dat denken is zelf een symptoom.

§02 Augustinus en de oerstructuur van de twee steden

[6] De eerste systematische formulering van de gedachte dat er altijd twee staten zijn, een ideale en een werkelijke, en dat zij niet samenvallen, vinden we bij Augustinus van Hippo. Hij schreef De civitate Dei tussen 413 en 426 na Christus, in de jaren na de plundering van Rome door de Visigoten van Alarik. De heidenen verweten de christenen dat de val van Rome het gevolg was van de bekering van het rijk. Augustinus’ antwoord was theologisch en politiek tegelijk: er zijn altijd twee gemeenschappen die elkaar overlappen en doorkruisen, de civitas Dei en de civitas terrena. De ene heeft het algemeen belang als haar liefde, de andere de zelfliefde. Geen van beide is ooit volledig zichtbaar in een aardse politieke orde. Geen van beide kan met de andere worden verward.3

[7] Hier ligt voor de bestuurskunde een onverwacht productieve gedachte. Augustinus zegt niet dat de werkelijke staat onecht is en de ideale echt. Hij zegt dat zij beide bestaan, dat zij door dezelfde mensen en dezelfde instellingen heen lopen, en dat de relatie tussen hen het eigenlijke politieke vraagstuk is. Een staat die zichzelf voor de civitas Dei houdt is gevaarlijk, een staat die alleen civitas terrena is, is wreed. De kunst van besturen ligt in het staan tussen beide.

[8] De relevantie voor Statecraft is direct. De diagnose van gedissocieerde organisaties beweert niet dat de formele staat een verzinsel is. Zij beweert dat er altijd twee zijn, een geformaliseerde representatie en een operationele werkelijkheid, en dat de bestuurlijke kwaliteit afhangt van het vermogen die twee in voortdurend gesprek te houden. Wanneer dat gesprek stilvalt, treedt dissociatie op. Het programma houdt het probleem in zich op zonder het op te lossen. De rapportage rapporteert over een werkelijkheid die zij niet meer raakt. Augustinus had voor dat verschijnsel geen technische term, maar de structurele logica had hij in 426 al gevangen. Wie dit niet weet, ontdekt het opnieuw bij elke nieuwe affaire.

§03 Het besturen wordt wetenschap: cameralisme en Hegel

[9] Tussen Augustinus en Marx ligt een gat van bijna veertien eeuwen waarin het denken over besturen vooral juridisch en theologisch was. De wending naar besturen als zelfstandige wetenschappelijke discipline komt in de zeventiende en achttiende eeuw, in de Duitstalige landen, onder de naam cameralisme of Polizeiwissenschaft.4 Auteurs als Johann Heinrich Gottlob von Justi en Joseph von Sonnenfels schreven omvangrijke handboeken over het beheer van het vorstelijk territorium. Het ging over belastingheffing, mijnbouw, agrarische productie, openbare orde, gezondheidszorg en armenzorg, alles tegelijk en samenhangend. Het Polizeibegrip uit die tijd is breder dan ons hedendaagse politiebegrip. Het omvatte alles wat het algemeen welzijn van de inwoners bevorderde, gezien vanuit het perspectief van een verlicht despoot die zijn land doelmatig wilde besturen.

[10] Het cameralisme leverde voor het eerst een leerstof op die de gedachte ondersteunde dat besturen een vak is, met principes, met een geschoolde beroepsgroep, met overdraagbare kennis. Universiteiten in Halle, Frankfurt aan de Oder en Wenen richtten leerstoelen op. Wie wilde dienen aan een Duits hof werd verondersteld deze stof te beheersen. De impliciete antropologie was die van de geschoolde dienaar: een man, in die tijd uitsluitend een man, die door opleiding en eed het algemeen belang representeerde tegenover de particuliere belangen van adel, stad en stand.

[11] Deze antropologie kreeg haar filosofische kroon in de Grundlinien der Philosophie des Rechts van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, gepubliceerd in 1820.5 In zijn behandeling van de uitvoerende macht (de paragrafen 287 tot en met 297) beschrijft Hegel de bureaucratie als de algemene stand, de enige stand die het algemeen belang van de samenleving als haar werk heeft. De landbouwende stand is gebonden aan de natuur en het familieleven, de bedrijvige stand aan eigenbelang en marktverhoudingen, maar de ambtenaarsstand staat boven beide. Door zijn opleiding, zijn salaris (geen winst, geen pacht, maar een vaste betaling die hem onafhankelijk maakt van particuliere belangen) en zijn eed, belichaamt de ambtenaar het algemene.

[12] Dit is een mooie en gevaarlijke gedachte tegelijk. Mooi, omdat zij de zin van het ambt verheft boven de mechanica van regelgeleidende uitvoering. De Nederlandse senior beleidsadviseur die zegt dat hij dient, niet het kabinet maar de rechtsstaat, staat in deze hegeliaanse traditie zonder het te weten. Gevaarlijk, omdat de claim dat een bepaalde stand het algemeen belang representeert, in de regel onverdedigbaar is en in de praktijk eindigt in zelfgenoegzaamheid. Wie zich vereenzelvigt met het algemeen belang, hoeft niet meer te luisteren naar wie dat belang anders ziet.

[13] Voor het hedendaagse Nederlandse bestuur is de hegeliaanse antropologie nog steeds de impliciete zelfopvatting van het ABD-systeem. De Algemene Bestuursdienst is opgevat als een gemeenschap van topambtenaren die door rouleren tussen departementen, door professionele opleiding en door een gedeelde ethos het algemene boven het particuliere stelt. Het is een hegeliaanse gedachte die nooit als zodanig is uitgesproken, omdat de mensen die haar belichamen Hegel niet meer hebben gelezen.

§04 Marx 1843: de imaginaire staat

[14] In de zomer van 1843, drieëntwintig jaar na de publicatie van Hegels Rechtsphilosophie, schreef Marx in Bad Kreuznach een commentaar op de paragrafen 261 tot en met 313, het stuk dat we nu kennen als Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie.6 Het manuscript bleef onvoltooid, werd pas in 1927 gepubliceerd, en is geen revolutionair pamflet. Het is een nauwgezette filologische ontmaskering van de hegeliaanse staatsleer, regel voor regel.

[15] De aanleiding is van belang. Marx had de maanden daarvoor als jonge journalist artikelen geschreven over de armoede van de Moezelwijngaardeniers, een serie waarvan een aflevering de titel droeg “De vampieren van het Moezelgebied”. Die armoede werd in stand gehouden door een combinatie van belastingdruk en een Pruisische boswet die het sprokkelen van hout strafbaar stelde, een wet die de bureaucratie uitvoerde alsof zij natuurlijk en rechtvaardig was. Toen Marx wilde laten zien dat zij dat niet was, werd het blad gesloten. Daarna ging hij naar de filosofie. Wie de empirische werkelijkheid niet meer onbelemmerd kan beschrijven, gaat structuur analyseren.

[16] Wat hij vond bij Hegel was het volgende. De claim dat de bureaucratie het algemene belang representeert, is geen werkelijke representatie maar een bezwering. De ambtenaarsstand maakt zichzelf tot universeel door de eigen werkzaamheid universeel te verklaren. In werkelijkheid behartigt de bureaucratie haar eigen belangen, omdat dat het enige is wat een groep mensen ooit doet. De algemeenheid is een spiritualisme, een geestelijke fictie die wordt opgehouden door de procedures, registers en titels van de organisatie zelf.

[17] Hier komen de bekende formuleringen vandaan. De bureaucratie is de imaginaire staat naast de werkelijke. Zij is het spiritualisme van de staat. Alles krijgt een dubbele betekenis: een werkelijke en een bureaucratische. Er is werkelijke kennis en er is bureaucratische kennis. En, in een passage die nog scherper bijt: voor de individuele bureaucraat wordt het doel van de staat zijn private doel, een jacht op promotie, carrièrisme.7

[18] Dit is het diagnostische instrumentarium dat Statecraft het meest economisch bedient. Het ABD-rouleersysteem is precies de structurele realisering van Marx’ observatie. Niet omdat de individuele topambtenaren slecht of berekenend zouden zijn, maar omdat de inrichting van het apparaat carrièrisme als rationaliteit produceert. Wie niet rouleert, valt buiten de kring waarin promotie zich voltrekt. Het instituut richt zich op de eigen reproductie, en de inhoudelijke continuïteit op het dossier wordt secundair. De toeslagenaffaire is geen incident in een goedwerkend systeem, zij is de zichtbare uitdrukking van een systeem waarin de bureaucratische kennis (risicoprofielen) de werkelijke kennis (concrete gezinnen) systematisch is gaan domineren.

[19] Twee waarschuwingen passen hier. De eerste: de Marx van 1843 is nog niet de Marx van Het Kapitaal en zeker niet de Marx van het Communistisch Manifest. Het manuscript is post-hegeliaanse staatskritiek, geen revolutionaire doctrine. Wie hem in deze hoedanigheid leest, leest een bestuurskundig auteur, niet een politiek programma. De tweede: de scherpte van de diagnose is geen aansporing tot cynisme. Marx zelf eindigt het manuscript niet met een oproep tot afschaffing van de bureaucratie, maar met de vraag hoe de werkelijke en de imaginaire staat weer in contact kunnen worden gebracht. Dat is exact de Statecraft-vraag.

§05 Tocqueville: bestuurlijke centralisatie als historisch effect

[20] Vrijwel gelijktijdig met Marx, maar vanuit een radicaal ander temperament en een ander politiek register, schreef Alexis de Tocqueville zijn twee grote werken: De la démocratie en Amérique (1835 en 1840) en L’Ancien Régime et la Révolution (1856). Tocqueville was een Franse aristocraat die de democratie zowel als historische onafwendbaarheid als als politieke uitdaging beschouwde. Zijn observaties over het bestuurlijke vraagstuk zijn voor het Nederlandse openbaar bestuur op twee punten van blijvende waarde.8

[21] Het eerste is zijn analyse van bestuurlijke centralisatie als historisch verschijnsel. In L’Ancien Régime laat Tocqueville zien dat de Franse Revolutie de centralisatie van het Franse openbaar bestuur niet heeft uitgevonden, maar versneld. Het Bourbon-koningschap was al bezig de provinciale standen te verzwakken, de intendanten te versterken, de fiscale controle vanuit Parijs uit te breiden. De Revolutie nam die beweging over en gaf haar een republikeinse rechtvaardiging. Wie meende dat een nieuw politiek regime een bestuurlijke breuk zou betekenen, kwam bedrogen uit. Het apparaat overleefde, en bovendien versterkte het zichzelf in elke politieke wisseling.

[22] Voor wie het patroon Den Haag bestudeert, is dit een ongemakkelijke maar onmisbare gedachte. De Nederlandse rijksoverheid heeft sinds de jaren tachtig zes politieke kleurschakeringen, vier ingrijpende bezuinigingsoperaties en drie grote decentralisaties achter de rug. Wie de instituties van nu vergelijkt met die van 1985 ziet bij alle veranderingen één constante: de bestuurlijke centralisatie die zich vermomt als decentralisatie. De decentralisaties van 2015 brachten weliswaar taken naar de gemeenten, maar de financiële kaders, de informatiestromen, de inspectiekaders en de uiteindelijke politieke verantwoordelijkheid bleven bij het rijk. De vorm bewoog mee, de structuur bleef. Tocqueville zou geen ogenblik hebben getwijfeld over de diagnose.

[23] Het tweede inzicht ligt in zijn analyse van de psychologische gevolgen van centralisatie. Tocqueville observeerde in Amerika hoe een gedecentraliseerd politiek systeem zelforganisatie en burgerlijke deugd kweekt, omdat mensen gewend zijn hun eigen problemen op het lokale niveau aan te pakken. Het Franse centralisme produceert daarentegen, schreef hij, een bevolking die voor elke moeilijkheid naar de prefectuur keek. Niet uit luiheid, maar omdat het apparaat hen had geleerd dat dat de plek was waar problemen werden opgelost. Wie aan de huidige Nederlandse discussie over zelfredzaamheid en eigen kracht denkt, zonder die paradox van Tocqueville mee te wegen, mist de helft van wat er aan de hand is.

§06 Weber: het ideaaltype en de ijzeren kooi

[24] De canonieke synthese van het bureaucratische denken is van Max Weber, in zijn postuum gepubliceerde Wirtschaft und Gesellschaft (1922).9 Geen serieuze opleiding in de bestuurskunde of de organisatiesociologie kan om Weber heen, en de manier waarop het Nederlandse openbaar bestuur Weber routineus voorbij is gegaan, is op zich een opmerkelijk gegeven.

[25] Weber’s bijdrage bestaat uit drie samenhangende stappen. De eerste is zijn typologie van legitiem gezag. Mensen gehoorzamen om drie soorten redenen: omdat het altijd al zo geweest is (traditioneel gezag), omdat een leider buitengewoon overtuigend is (charismatisch gezag), of omdat regels in een rationeel verband zijn opgesteld door bevoegde organen (rationeel-legaal gezag). Geen van deze typen komt zuiver voor, maar de moderne staat berust overwegend op het derde.

[26] De tweede stap is de identificatie van de bureaucratie als de institutionele vorm waarin rationeel-legaal gezag zich manifesteert. Een Weberiaans ideaaltype van de bureaucratie heeft hiërarchische ordening, scheiding van ambt en persoon, schriftelijke vastlegging, deskundigheid op basis van opleiding en examen, vaste beloning, carrière op grond van gekwalificeerde prestatie, en gebondenheid aan abstracte regels. Dit is geen empirische beschrijving van een bestaande organisatie. Het is een theoretisch zuiver model dat de werkelijkheid in mindere of meerdere mate benadert.

[27] De derde stap, en dat is wat Weber tot meer dan een classificator maakt, is zijn diagnose van wat hij het stählernes Gehäuse noemde, het stalen omhulsel of, in de Engelse vertaling van Talcott Parsons die berucht is geworden, de iron cage. De rationele orde die de moderne mens heeft bevrijd van willekeur, traditionele dwang en charismatische macht, sluit hem tegelijk in. De doelmatigheid die de bureaucratie levert wordt zelf een doel, de procedure verdringt het oordeel, de registratie verdringt de ervaring. Weber zag dit niet als een ontaarding maar als een structurele consequentie. De rationaliteit die de bureaucratie maakt, maakt ook haar grenzen.

[28] Het is van belang te begrijpen dat Weber, anders dan Marx, geen polemicus is. Hij beschrijft de bureaucratie met grote precisie en onmiskenbaar respect voor wat zij vermag. Een Weberiaanse bureaucratie is technisch superieur aan elke andere vorm van administratie. Dossiers worden gevonden, beslissingen zijn herleidbaar, ambtenaren zijn vervangbaar, willekeur wordt gereduceerd. Tegelijk: precies deze doelmatigheid produceert het kooi-effect. De vraag is niet of we de bureaucratie kunnen afschaffen, dat kunnen we niet, maar hoe we leren leven met een instrument dat zich tegen ons keert wanneer wij het niet voortdurend kritisch tegemoet treden.

[29] In het Statecraft-corpus is dit Weberiaanse dubbelbeeld het analytische uitgangspunt. Wie systeemkritiek pleegt zonder Webers eerste twee stappen mee te wegen, vervalt in romantisch antibureaucratisme. Wie alleen de eerste twee stappen overneemt en de derde negeert, vervalt in technocratische zelfbevestiging. De juiste positie is precies tussenin: erkennen dat het rationeel-legale apparaat onmisbaar is, en tegelijk weten dat het structurele effecten produceert die voortdurende correctie vergen. Borging is niet de afsluiting van een interventie maar de duurzaamheid van het corrigerende vermogen.

§07 Crozier en Lipsky: hoe de praktijk terugslaat

[30] Tussen Weber en de hedendaagse Nederlandse bestuurspraktijk staat een rijke empirische traditie die de Weberiaanse ideaaltypen aan de werkelijkheid heeft getoetst. Twee auteurs verdienen daaruit bijzondere aandacht omdat zij beiden een afslag hebben benoemd waarop het Nederlandse bestuur zich nu bevindt.

[31] Michel Crozier publiceerde in 1963 Le phénomène bureaucratique, gebaseerd op uitgebreid veldonderzoek in twee Franse rijksdiensten.10 Wat hij vond was een paradox die direct aan Weber haakt. De rationaliteit van regelgebondenheid, opgevat als bescherming tegen willekeur, produceert in de Franse civil service een zelf in stand houdende inertie. Iedere uitvoerder beroept zich op de regel om verantwoordelijkheid te ontwijken, iedere afdeling beschermt haar territoir tegen aanpassing, iedere informele relatie wordt geformaliseerd om macht te ontwijken. Het resultaat is een organisatie die in dynamische omgevingen niet leert, maar die zich in stabiele patronen van disfunctie nestelt en die ervaart als veiligheid. Crozier noemde dit de cercle vicieux bureaucratique, de bureaucratische cirkelgang. Wie iets wil veranderen, kan het niet door binnen de regels te bewegen, want de regels zijn juist het instrument van de inertie. Verandering komt alleen tot stand door externe schokken die het systeem dwingen tot een nieuwe pseudo-stabiliteit.

[32] Voor wie in Nederlandse gemeenten heeft gewerkt aan transformatieprogramma’s, is dit pijnlijk herkenbaar. De pogingen tot integraal werken in het sociaal domein, de dynamiek rond regionale uitvoeringsdiensten, de aanhoudende moeite om afdelingsgrenzen te overstijgen, het zijn allemaal varianten van Crozier’s vicieuze cirkel. Het probleem is niet dat individuen niet willen samenwerken. Het probleem is dat het systeem hen leert dat hun veiligheid in de afdelingsgrens ligt, en dat doorbreking van die grens hen kwetsbaar maakt. Wie dat niet weet, blijft mensen aanspreken op gedrag dat structureel wordt geproduceerd, en wint nooit.

[33] Het tegenstuk aan Crozier wordt geleverd door Michael Lipsky’s Street-Level Bureaucracy, gepubliceerd in 1980.11 Lipsky verschoof het perspectief van de top van de bureaucratie naar de uitvoering. Wat doet de jeugdzorgmedewerker, de bijstandsconsulent, de leerkracht, de wijkagent, wanneer hij of zij geconfronteerd wordt met meer aanvragen dan capaciteit, met tegenstrijdige instructies, met cliënten die niet in de categorieën passen? Het antwoord is dat zij heuristieken ontwikkelen, voorrangsregels, eigen indicaties van wie ze wel en niet helpen. Het beleid op papier is niet het beleid in de praktijk. Het beleid op papier zegt dat iedereen recht heeft op een passende voorziening, het beleid in de praktijk is wat de consulent na een dossier van twintig minuten beslist.

[34] Lipsky’s punt is dat dit geen falen is van de uitvoerder maar een structurele eigenschap van uitvoering onder schaarste en tegenstrijdigheid. Wanneer beleid van de wetgever conflicteert met capaciteit, ontstaat aan het loket een eigen beleid. Wie de officiële regelgeving wil herstellen, moet of de capaciteit verhogen, of de tegenstrijdigheden in de regelgeving wegnemen, of beide. Verhogen van het toezicht zonder een van beide te doen, verergert het probleem, want het maakt de uitvoerder kwetsbaar voor sancties die hij of zij door de structuur niet kan vermijden.

[35] De combinatie Crozier en Lipsky is de empirische sleutel tot het Nederlandse uitvoeringsvraagstuk. Aan de top van het apparaat heerst de bureaucratische cirkelgang die Crozier beschreef: regelproductie zonder dat zij de praktijk raakt. Aan de basis heerst de street-level bureaucracy die Lipsky beschreef: een eigen praktijk die zich heeft losgemaakt van het officiële beleid. Daartussen ligt een lege ruimte. De rapportage uit het apparaat aan de minister beschrijft een werkelijkheid die niet bestaat, omdat zij rapporteert over wat de regel zegt en niet over wat de uitvoerder doet. De toeslagenaffaire werd zichtbaar toen het verschil tussen die twee, na jaren van opbouw, onhoudbaar groot werd. De arrangementen in jeugdzorg, schuldhulpverlening en Wmo zitten op verschillende plekken op die curve.

§08 Moore: de terugkeer van publieke waarde

[36] In de jaren tachtig en negentig veroverde een nieuwe doctrine, het zogenaamde New Public Management, de bestuurskundige discussie. Onder invloed van Margaret Thatcher, Ronald Reagan en hun bestuurskundige adviseurs werd de overheid opgevat als een verzameling diensten die volgens marktprincipes konden worden ingericht. Burgers werden klanten, ministers werden CEO’s, ambtenaren werden uitvoerders van prestatiecontracten. De Nederlandse vertaling van deze doctrine bracht ons de zelfstandige bestuursorganen, de prestatiebekostiging in de zorg, het regeerakkoord als output-overeenkomst, en de toenemende rol van consultancybureaus in beleidsvorming.

[37] In 1995 publiceerde Mark H. Moore Creating Public Value, een poging om de doctrine van het NPM een fundamentele tegenstem te geven zonder terug te vallen op een romantische staatsopvatting.12 Moore’s centrale begrip is publieke waarde. Niet wat de minister wil, niet wat efficiënt is, niet wat de klant tevreden stelt, maar wat een collectieve waarde produceert die anders niet zou ontstaan. De vraag is niet of de overheid presteert, maar of de prestatie waardevol is.

[38] Om die vraag operationeel te maken introduceerde Moore de strategische driehoek: publieke waarde aan de top, operationele capaciteit aan de ene basis en politieke legitimiteit aan de andere. Een interventie deugt alleen wanneer alle drie hoeken werken. Een operationeel sterk programma zonder politieke rugdekking valt om bij de eerste tegenwind. Een politiek gedragen programma zonder operationele capaciteit produceert teleurstelling. Een operationeel én politiek werkend programma dat geen werkelijke publieke waarde levert, is succesvolle theaterpolitiek. De driehoek dwingt tot het simultaan denken van drie dimensies die in de praktijk vaak los van elkaar worden behandeld.

[39] In De Richting van de Beweging werk ik de strategische driehoek verder uit als toetssteen voor interim-opdrachten en grote transformaties.13 Wat Moore voor Statecraft betekent is dit: hij heeft binnen de Angelsaksische bestuurskunde de vraag teruggebracht waar zij thuishoort, namelijk wat het werk eigenlijk dient. Niet de cliënt, niet het departement, niet de carrière van de ambtenaar, maar de waarde die anders niet zou bestaan. Daar begint elke serieuze bestuurlijke inzet.

§09 De Nederlandse lijn

[40] De Nederlandse bestuurskundige traditie is sterk in het constitutionele en juridische, en zwakker in de sociologische theorievorming over bureaucratie. Dat is geen toeval. Het Thorbeckiaanse staatsbestel, dat sinds 1848 de structurele inrichting van het Koninkrijk bepaalt, vroeg om een juridische dogmatiek voor de verhouding tussen rijk, provincie en gemeente, en die dogmatiek heeft generaties van rechtsgeleerden bezig gehouden. De Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet gemeenschappelijke regelingen, het hele bouwwerk staat in een traditie die teruggaat op Thorbecke en op zijn eigen Duitse en Franse voorbeelden.14

[41] Wat in deze juridische traditie minder ontwikkeld is, is de theorie van de bureaucratie als sociaal verschijnsel. Nederland heeft geen eigen Weber, geen eigen Crozier, geen eigen Lipsky. Wat wij wel hebben is een rijke traditie van rapporten en commissies die het bureaucratische verschijnsel observeren en commentariëren. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft sinds 1972 een continu corpus aan adviezen geproduceerd dat, gelezen als geheel, een eigen Nederlandse bestuurssociologie vormt. Rapporten als De toekomst van de nationale rechtsstaat (2002), Lerende overheid (2006) en Vertrouwen in de school (2009) bieden voor wie ze leest een Nederlandse versie van de internationale lijn.

[42] In de afgelopen drie decennia hebben enkele Nederlandse auteurs zich opgeworpen als praktiserende theoretici van het Nederlandse bestuur. Herman Tjeenk Willink heeft in publicaties als Groter denken, kleiner doen (2018) en Kan de overheid crises aan? (2021) een diagnose gesteld die zonder Marx of Weber expliciet aan te halen, dezelfde patronen in beeld brengt: de erosie van de rechtsstaat onder het gewicht van management-doctrines, de verzelfstandiging van de overheid van haar eigen functie, het verdwijnen van het besef dat de overheid iets anders is dan een dienstverlener.15

[43] Mark Bovens en Anchrit Wille hebben met Diplomademocratie, oorspronkelijk verschenen in 2011 en in 2025 in een grondig herziene editie, laten zien hoe het Nederlandse openbaar bestuur tot een gesloten systeem is geworden waarin hoogopgeleiden onderling besluiten over vraagstukken waarvan de uitkomsten vooral lager opgeleiden treffen.16 Dit is een bestuurskundige observatie die zich moeiteloos laat vertalen in marxiaanse termen, maar die in een gematigd-empirische toon wordt aangeleverd, en die door zijn empirische soliditeit vrijwel niet bestreden kan worden.

[44] Paul Frissen heeft in een lange serie publicaties, van De staat van verschil tot De fatale staat en zijn werk over de uitvoeringsstaat, de Nederlandse situatie in een eigen taal beschreven die paradoxen en ongemakken niet wegmoffelt.17 Frissen behoort tot de weinige Nederlandse auteurs die de filosofische zijde van de bestuurskunde serieus neemt en die de lezer dwingt om met begrippen als macht, vorm en het tragische om te gaan zonder ze als jargon te benaderen.

[45] Wat opvalt aan de hedendaagse Nederlandse lijn is dat zij convergeert op observaties die vrijwel woordelijk teruggaan op Marx 1843, Weber 1922, Crozier 1963 en Lipsky 1980. De Nederlandse beschrijvingen zijn empirisch geworteld, juridisch onderbouwd, voorzichtig in toon, en omvatten vrijwel alles wat de internationale lijn ook al wist. Wat opvalt is dus niet wat zij toevoegen, maar de mate waarin de structurele observaties stabiel blijven over de eeuwen heen. Dat zou een bevestiging moeten zijn dat de patronen werkelijk zijn, niet een teken dat de auteurs elkaar napraten.

§10 Slot: de dissociatie van een beroep van zijn eigen ideeëngeschiedenis

[46] Deze ideeëngeschiedenis eindigt waar Statecraft begint. De patronen die wij in het Nederlandse openbaar bestuur waarnemen zijn niet recent, niet uniek, en zeker niet onbekend. Wie bereid is een paar weken aan Augustinus, Hegel, Marx, Weber, Crozier, Lipsky en Moore te besteden, ontdekt dat de structurele waarnemingen al gedaan zijn en dat de begrippenkaders al beschikbaar zijn. Het werk dat overblijft is hen toepassen op het Nederland van nu, met de empirische zorgvuldigheid die de eigen tijd vraagt.

[47] Maar precies dit werk wordt niet gedaan, of nauwelijks. De bestuurskundige opleidingen hebben hun curricula in de afgelopen decennia geheroriënteerd op vaardigheden, instrumenten en projectmatige leerlijnen. De grote sociologische teksten zijn naar de marge gedrongen of helemaal verdwenen. De student die een academische bestuurskunde-opleiding volgt en daarna instroomt in het rijk of een gemeente, heeft een bovengemiddelde kans Weber niet gelezen te hebben. Crozier kent hij niet. Lipsky misschien als naam. Marx absoluut niet. Wat hij wel beheerst is de stakeholderanalyse, het projectplan, de PRI-toets, de logframe.

[48] Dit is niet alleen een educatief tekort. Het is, in de termen van het Statecraft-corpus, een dissociatie. Het beroep heeft zich losgemaakt van zijn eigen ideeëngeschiedenis. De praktijk wordt dagelijks geconfronteerd met patronen die de lijn van Augustinus tot Bovens al eeuwen heeft beschreven, maar zonder die lijn te kennen kan zij die patronen niet als zodanig herkennen. Elke generatie ervaart het alsof het haar eigen ontdekking is dat de organisatie haar eigen werkelijkheid produceert. Elke generatie probeert het op te lossen met de instrumenten van de eigen mode. Elke generatie ontdekt na enige jaren dat het patroon zich opnieuw heeft gevormd. Wie zijn eigen ideeëngeschiedenis kwijt is, herhaalt haar zonder het te weten.

[49] De ambitie van Statecraft, op dit punt en in de bredere reeksen waarvan dit Kompas onderdeel is, is bescheiden en concreet. Niet de opleiding hervormen, dat is een gevecht voor anderen. Niet alle senior beleidsmakers omscholen, dat is onhaalbaar. Maar wel: de lijn beschikbaar maken voor wie haar wil leren kennen. Een schaar lezers verwerven die deze begrippen niet meer hoeft uit te leggen. Een corpus opbouwen waarin de verwijzing naar Marx 1843 of Webers stählernes Gehäuse functioneert als gedeelde kennis, zoals de Wgr en de GREX dat al zijn.

[50] De vraag is niet of we de imaginaire staat naast de werkelijke hebben. Die hebben we, en die hebben we altijd gehad. De vraag is of we hem nog kunnen zien.


Noten


Colofon

De dubbele staat: een korte ideeëngeschiedenis van het besturen is een uitgave in de Statecraft Kompassen-reeks. Versie 1.0, mei 2026. Auteur: Jacob Huibers. Het Kompas is bedoeld als intellectueel fundament onder de overige Statecraft-publicaties en als hospitaliteit voor lezers die in de bestuurspraktijk werken zonder de gelegenheid te hebben gehad de Europese ideeëngeschiedenis van het besturen formeel te leren kennen.

Statecraft is het analytische publicatieplatform van House of Viridian OÜ. Het richt zich op senior professionals in het Nederlandse openbaar bestuur. Eerdere publicaties in dit Kompas-domein zijn de reeks Gedissocieerde Organisaties, het paper Patroon Den Haag, en de essays Herstelstaat Nederland en Navigeren versus Plannen.

Contact en abonnement via statecraft.nl.

© 2026 House of Viridian OÜ.

Footnotes

  1. Statecraft, Gedissocieerde Organisaties: zes diagnostische papers met synthese, 2026.

  2. Karl Marx, Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie, geschreven Bad Kreuznach 1843. Het manuscript bleef onvoltooid en werd voor het eerst gepubliceerd in 1927. Geciteerd uit Marx-Engels-Werke (MEW), deel 1, Berlin: Dietz Verlag. Eigen vertaling.

  3. Augustinus, De civitate Dei contra paganos, geschreven tussen 413 en 426. Voor een hedendaagse Nederlandse uitgave en commentaar zie de vertaling van Gerard Wijdeveld, De stad van God, Ambo, Amsterdam, oorspronkelijk 1983.

  4. Voor een overzicht van het cameralisme en de Polizeiwissenschaft als wortel van de moderne bestuurskunde zie David F. Lindenfeld, The Practical Imagination: The German Sciences of State in the Nineteenth Century, University of Chicago Press, Chicago 1997.

  5. G.W.F. Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts, oorspronkelijk Berlin 1820. De passages over de uitvoerende macht en de algemene stand staan in de paragrafen 287 tot en met 297.

  6. Marx’ commentaar op Hegel, zie noot 2. Voor de wordingsgeschiedenis en context zie David McLellan, Karl Marx: His Life and Thought, Macmillan, London 1973, hoofdstuk 3.

  7. Marx, Kritik, paragraaf bij Hegel §297, MEW deel 1. Eigen vertaling.

  8. Alexis de Tocqueville, De la démocratie en Amérique, 1835 en 1840, en L’Ancien Régime et la Révolution, 1856. Nederlandse vertaling van het laatste werk: Het Ancien Régime en de revolutie, Klement, Kampen 2009.

  9. Max Weber, Wirtschaft und Gesellschaft: Grundriss der verstehenden Soziologie, postuum 1922, J.C.B. Mohr, Tübingen. De passages over de bureaucratie staan voornamelijk in deel III, hoofdstuk VI. Een Nederlandse selectie verscheen onder de titel Gezag en bureaucratie, Universitaire Pers, Rotterdam 1972.

  10. Michel Crozier, Le phénomène bureaucratique, Seuil, Parijs 1963. Engelse vertaling University of Chicago Press 1964.

  11. Michael Lipsky, Street-Level Bureaucracy: Dilemmas of the Individual in Public Services, Russell Sage Foundation, New York 1980. Uitgebreide editie 2010.

  12. Mark H. Moore, Creating Public Value: Strategic Management in Government, Harvard University Press, Cambridge MA 1995.

  13. Jacob Huibers, De Richting van de Beweging: Interim-Management in de Publieke Sector, manuscript in voorbereiding, hoofdstuk over het analytische instrumentarium.

  14. Voor een overzicht van de Thorbeckiaanse traditie en haar erfenis zie J.Th.J. van den Berg en J. Vis, De eerste honderdvijftig jaar: Parlementaire geschiedenis van Nederland 1796-1946, Bert Bakker, Amsterdam 2013.

  15. Herman Tjeenk Willink, Groter denken, kleiner doen: Een oproep, Prometheus, Amsterdam 2018, en Kan de overheid crises aan? Het Hier en Nu, Prometheus, Amsterdam 2021.

  16. Mark Bovens en Anchrit Wille, Diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie, oorspronkelijk Bert Bakker, Amsterdam 2011. Compleet herziene editie Prometheus, Amsterdam 2025.

  17. Paul Frissen, De staat van verschil: Een kritiek van de gelijkheid, Van Gennep, Amsterdam 2007, en De fatale staat: Over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek, Van Gennep, Amsterdam 2013.