Statecraft

21 september 2026 · analyse

De vierde ronde

Een nulmeting die elf jaar na de decentralisatie komt, en een herverdeling die op dezelfde week valt

door Jacob Huibers

Verweesd ontwerp — Pijler II: Grammatica. Tweelingstuk bij De afbouw die geteld werd.

§01 51 minuten

Op dinsdagochtend 1 september 2026 wordt in een groep waarin aan een regionale jeugdhulpsamenwerking wordt gewerkt om 08.19 uur een nieuwsbericht gedeeld. Ruim 750 jongeren in de jeugdzorg brengen het grootste deel van de dag door met uitsluitend één begeleider of meer. De minister is geschrokken. Twee minuten later: mooi dat dit nu in beeld is.

Om 08.30 uur volgt een tweede bericht. De Raad voor het Openbaar Bestuur vindt dat het Rijk de specialistische jeugdzorg moet overnemen. De reactie daarop is koeler. Men grijpt te snel terug op oude gedachten, en over vijf jaar concluderen we dan opnieuw dat de jeugdhulp te ver van de inwoner is komen te staan. Iemand vat het korter samen: dit advies komt twaalf jaar te laat.

Om 09.10 uur gaat een vacature rond, met het verzoek hem te delen. Gezocht wordt iemand die de kwaliteit van de gespecialiseerde jeugdzorg werkelijk naar een hoger niveau kan brengen.

In 51 minuten passeert het hele dossier: het eerste landelijke cijfer, het voorstel de taak te verplaatsen, en de poging iemand te vinden die het werk gaat doen. Ik schrijf dit als kwartiermaker van een van de 41 jeugdregio’s die per 1 januari 2027 operationeel moeten zijn. Dat maakt mij partij in de derde beweging en toeschouwer bij de eerste twee.

§02 Wat er geteld is

Op peildatum 1 mei 2026 verbleven naar opgave van de gemeenten 768 jeugdigen in een één-op-één plaatsing en 1.557 jeugdigen in buitencontractueel aanbod buiten de eigen regio.1 Van de 41 jeugdregio’s leverden er 39 gegevens aan.

De definitie verdient precisie, juist in een stuk dat de meting onnauwkeurigheid verwijt. Een één-op-één plaatsing is in het rapport een plaatsing waarbij het merendeel van de dag exclusief één of meer begeleiders voor deze jeugdige aanwezig zijn. De plaatsing moet langer dan een week duren. Zij kan op een afzonderlijke locatie zijn, zoals een vakantiehuisje of een appartement, in een aparte ruimte op het terrein van een instelling, of in een kleinschalige groep. Alleen de eerste twee zijn afzondering. Hoe de 768 over de drie is verdeeld, staat er niet.2

De uitvraag ging op 1 juni de deur uit met aanleverdatum 22 juni. Op die datum hadden 24 regio’s geleverd; tot 20 augustus volgden er nog 15. Vier hadden vooraf gemeld dat zij het niet zouden halen, omdat de gevraagde informatie niet uit hun systemen kwam. Regio’s leggen aanbieder, product en looptijd vast. De verblijfssetting, de mate van individuele begeleiding en de contractuele relatie met de aanbieder leggen zij niet vast. Er waren handmatige inventarisaties nodig, navraag bij aanbieders, aannames. Het rapport schrijft zelf dat dezelfde casus in twee regio’s verschillend beoordeeld kan zijn.

De tabel laat zien hoe ver dat gaat. Eén regio meldt 268 één-op-één plaatsingen, ruim een derde van het landelijke totaal. Drie regio’s melden er nul, en twee daarvan melden ook geen enkele buitencontractuele plaatsing. De doelgroep verdeelt zich niet zo over Nederland; wat hier gemeten is, is de spreiding van de definitie. De mediaan ligt op 10 per regio, driekwart van de regio’s zit op 22 of lager, en zonder die ene regio is de hoogste waarde 40. In één tabel staan twee verschillende metingen naast elkaar.

Eén afbakening neem ik letterlijk over. Buiten het bereik van fase 1 vallen de duur van de plaatsingen, de kosten, de redenen en de kenmerken van de jeugdigen zelf. Het rapport bedoelt dat als scope-bepaling. Het is tegelijk de nauwkeurigste beschrijving van waar dit dossier over gaat: over aantallen en definities, niet over kinderen.

§03 Drie getallen, drie lezingen

Binnen twaalf maanden circuleren drie getallen voor hetzelfde verschijnsel. In maart 2026 kwam een journalistieke uitvraag onder alle 342 gemeenten, waarvan driekwart reageerde, op bijna 400 alleenplaatsingen in drie jaar.3 In de koppen van 2 september stond ruim 750. Een dag later stond in de vakpers ruim 2.300, de optelsom van 768 en 1.557. Dat totaal presenteert het rapport nergens, en met reden: volgens de definitie maakt het voor een één-op-één plaatsing niet uit of zij binnen of buiten de regio plaatsvindt, zodat dezelfde jeugdige in beide kolommen kan staan. De overlap is niet gemeten. Het aantal unieke jeugdigen ligt tussen 1.557 en 2.325 en niemand weet waar. Het getal groeide met elke ronde die het aflegde, zonder dat er één kind bij kwam.

Naast de landelijke tellingen liggen enkele lokale openbaarmakingen. Een grote gemeente antwoordde in mei op raadsvragen dat het in twee jaar om minder dan tien jeugdigen ging, voor ongeveer 1,8 miljoen euro. Een regio in het midden van het land bevestigde ongeveer tien jongeren in een jaar. Een Friese wethouder meldde ruim 3 miljoen euro in twee jaar voor een handvol jongeren. Een gemeente van 25.000 inwoners had dit jaar 2,3 miljoen euro extra nodig voor jeugdhulp, waarvan 1,2 miljoen door twee maatwerkarrangementen.4 Omgerekend naar dezelfde eenheid liggen die meldingen tussen 3 en 61 per miljoen inwoners. Zij clusteren rond de 28 per miljoen die de nulmeting laat zien zodra de regio met 268 eruit wordt gehaald. Die ene regio zit vijf tot tien keer boven het cluster.

Daarmee blijven drie lezingen over. In de eerste telt die regio te breed, en ligt het landelijke aantal rond de 500 tot 600. In de tweede telt zij als enige volledig, bijvoorbeeld omdat zij als enige een aanvraagroute en dus een bestand heeft, en ligt het werkelijke aantal tussen 3.400 en 4.800. Die lezing is met geld te toetsen: bij de gedocumenteerde tarieven van 400.000 tot 800.000 euro per kind per jaar zou dat 1,6 tot 3,2 miljard euro kosten, en zo’n post staat in geen enkele regionale jaarrekening. In de derde lezing klopt het aantal en zit het verschil in de duur. Een voorraad van 768 op één dag verdraagt zich alleen met 400 plaatsingen in drie jaar wanneer plaatsingen gemiddeld meerdere jaren duren. Dan is de duur het eigenlijke nieuws.

Het publieke materiaal bevat niets waarmee tussen deze lezingen te kiezen valt. De enige grootheid die dat kan, de duur, is in fase 1 buiten scope geplaatst en in fase 2 zonder datum aangekondigd. Een getal waarvan een derde uit één telmethode komt, is ongeschikt voor het doel waarvoor het nu wordt gebruikt: verdeling, monitoring en doelstellingen.

§04 De telling die pas nu begint

Wat het rapport onbedoeld documenteert, is het ontwerp van de afbouw.

In 2022 besloot het kabinet tot afbouw van de gesloten jeugdhulp, met als ambitie nul gesloten plaatsingen in 2030. Die afbouw is als verplichting ingericht: capaciteit die omlaag moet, een einddatum, locaties die sluiten, voortgang die telbaar en afdwingbaar is. Wie een instelling sluit, kan aantonen dat hij haar gesloten heeft.

De opbouw van alternatieven is als voornemen ingericht: kleinschalig, passend, zo dicht mogelijk bij huis, zonder norm, zonder aantal, zonder einddatum. Wie geen kleinschalige voorziening opent, kan daarop niet worden aangesproken, want er stond nooit vast hoeveel er moesten komen.

Dit is de fout van opeenvolging in zuivere vorm, dezelfde die de ambulantisering van de ggz halveerde. De eerste stap krijgt een telling en een sanctie, de tweede een intentie. Vervolgens wordt de uitkomst van de eerste stap het gegeven waarbinnen de tweede zich moet voltrekken, en verdwijnt de vraag of die tweede stap gezet is uit het gezichtsveld, omdat geen instrument hem mist.

Het woord waarmee het Ondersteuningsteam zijn rapport aanduidt, is daarom precies: nulmeting. Elf jaar na de decentralisatie en vier jaar na het afbouwbesluit wordt voor het eerst geteld. Daarvoor luidde het antwoord onbekend, omdat niemand de vraag stelde op een manier die een antwoord afdwong.

Het rapport beveelt scherpere definities en uniformere registratie aan. Dat repareert de meting en laat de tweede stap ongemoeid. Wanneer in 2028 met scherpe definities wordt vastgesteld dat er 900 jeugdigen in zo’n plaatsing zitten, is de situatie beter gedocumenteerd en even slecht. Een teller die niets afdwingt, maakt van een voornemen geen verplichting.

§05 De verplaatsing van de geslotenheid

De gesloten jeugdhulp was ingrijpend en op onderdelen schadelijk. Dat is vastgesteld, en er zijn dit jaar namens Rijk en gemeenten excuses voor aangeboden. Zij was wel omkaderd. Een gesloten plaatsing vergt een machtiging van de kinderrechter, met instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper, met maximale duur en periodieke toets.5 Er is klachtrecht, er is een inspectiekader dat op de vorm zelf is gebouwd, en er is een geteld aantal plaatsen.

Voor een één-op-één plaatsing op een afzonderlijke locatie geldt daarvan niets. Er is een beschikking en een contract, en bij buitencontractueel aanbod ontbreekt ook dat laatste. Een rechterlijke toets is er niet, want formeel is er geen vrijheidsbeneming. Een toezichtkader op de vorm ontbreekt, want de vorm bestaat niet in de productstructuur. Een maximale duur is er niet, want de duur kon niet eens worden vastgesteld.

Feitelijke afzondering van een kind is verhuisd van een vorm met een rechtsregime naar een vorm zonder rechtsregime. Juridisch is dat verdedigbaar: wie vrijwillig in een huisje woont met twee begeleiders is niet van zijn vrijheid beroofd. Bestuurskundig is de zwaarste interventie in het stelsel verplaatst uit het zicht van de wetgever naar een plek waar alleen de factuur haar zichtbaar maakt, enkele tonnen tot ongeveer een miljoen euro per kind per jaar. Dat is de prijs van een afbouw die telbaar was gemaakt en een opbouw die dat niet was.

§06 Geschrokken

Dit kon vier jaar doorlopen omdat binnen dezelfde verantwoordelijke organisatie twee kennisregisters naast elkaar bestonden die elkaar niet raakten. Het ene was gevuld en publiek: een gemeentelijk onderzoek naar de ontoereikendheid van deze begeleidingsvorm, de journalistieke telling van maart, een inspectierapport, en een eigen Kamerbrief van 15 april 2026 waarin één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen onwenselijk heten.6 Het andere register, het administratieve, kende de categorie niet. De i-standaarden schrijven voor hoe geregistreerd wordt en hebben geen veld voor verblijfssetting of mate van individuele begeleiding.

De schrik is het bewijsstuk. In april heten de plaatsingen onwenselijk, in september zijn de aantallen hoger dan verwacht. Waarop die verwachting berustte, is nergens vastgelegd.

Deze bewindspersoon liet de uitvraag doen die in vier jaar niet was gedaan, en stuurde het resultaat binnen twaalf dagen naar de Kamer, met de bijlage erbij waarin staat hoe wankel het is. Het verwijt geldt het ontwerp. Een stelsel waarin de tweede stap geen telling kent, produceert twee registers, en die corrigeren elkaar niet vanzelf.

§07 De vierde ronde

Op 31 augustus, één dag voor de Kamerbrief, publiceerde de Raad voor het Openbaar Bestuur een position paper voor de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd.7 De diagnose deugt. De jeugdzorgtaak kent open eindes in doelgroep, hulpvraag en behandeling. Er zijn geen harde toegangscriteria en het is onduidelijk wanneer een behandeltraject eindigt. Gemeenten hebben nauwelijks instrumenten om instroom te beperken of doorstroom te bevorderen. De middelen groeien mee met het accres en niet met de zorgkosten.

Dan volgt de conclusie: wat verplicht is, waaronder de specialistische jeugdzorg, hoort bij het Rijk, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet. Dat verplaatst de taak en laat het ontwerp zoals het was. Elk vastgesteld gebrek reist mee. Wie een open einde overneemt, neemt het open einde over, en ontdekt binnen enkele jaren dat hij zelf de partij is die niet weet waar 768 jeugdigen verblijven. Inkoopmacht produceert geen behandelcapaciteit die niet bestaat en geen personeel dat niet is opgeleid. Overheveling naar de Zorgverzekeringswet brengt bovendien de medische verwijsroute mee, terwijl het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet de verwijzing juist dichter bij het lokale team wil leggen.8

Het paper stelt daarnaast vast dat de verplichte regionale opschaling gemeenten hun regie kost. Dat oordeel valt over een constructie die op dit moment wordt gebouwd. De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg trad per 1 januari 2026 deels in werking en treedt per 1 januari 2027 volledig in werking.9 Er wordt geconcludeerd voordat er één dag is gedraaid.

Op dezelfde taak lopen nu vier ontwerprondes. Die wet, halverwege haar inwerkingtreding. Het wetsvoorstel Reikwijdte, dat de instroom van één op zeven naar één op tien jongeren moet brengen. De aanpak van de één-op-één plaatsingen, waarvoor de minister en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 10 september bestuurlijk overleg voerden met de VNG, Jeugdzorg Nederland, de Nederlandse ggz en de VGN. De uitkomst is toegezegd vóór het commissiedebat van 30 september en was bij het afsluiten van dit stuk nog niet openbaar. En daaroverheen de herverdeling.

Elke ronde neemt de onvoltooide uitkomst van de vorige als gegeven. De decentralisatie werd het vertrekpunt voor de Hervormingsagenda, de Hervormingsagenda voor de regionalisering, en de regionalisering, die nog niet draait, wordt het vertrekpunt voor de herverdeling. Zo stolt een uitkomst die nooit is getoetst. De voorspelling uit de groep van die ochtend, dat we over vijf jaar opnieuw vaststellen dat de jeugdhulp te ver van de inwoner staat, was extrapolatie.

§08 Wat er over drie jaar staat

In termen van de Strategische Driehoek zit het tekort op operationele capaciteit: er zijn te weinig plekken en te weinig behandelaars. Alle vier de rondes zitten op de hoek van de legitimiteit: wie is verantwoordelijk, wie koopt in, op welke schaal, wie betaalt het tekort. Geen van die vragen levert een behandelplek op. De hoek van de publieke waarde, wat deze jeugdige ontvangt en of hij er beter van wordt, is nergens belegd. Het gemeentelijke onderzoek dat deze praktijk het eerst beschreef, concludeerde dat de begeleidingsvorm onvoldoende werkt en hield haar in stand omdat er geen alternatief was. Dat oordeel is sindsdien niet weersproken en niet getoetst.

Aan drie punten is af te lezen of deze maand iets heeft opgeleverd. Het eerste is fase 2 van de meting, aangekondigd zonder datum, zonder opdrachtgever met doorzettingsmacht en zonder gevolg bij uitblijven. Het tweede is een aantal: komt er in de bestuurlijke afspraken geen opbouwverplichting per zorgvorm en per jaar, met verantwoording bij afwijking, dan blijft de tweede stap een voornemen. Het derde is de registratie. Aanbieders leveren op grond van de Jeugdwet al halfjaarlijks gegevens aan het CBS. Twee velden erbij, verblijfssetting en mate van exclusieve begeleiding, en dit verschijnsel is permanent zichtbaar, zonder uitvraag en zonder belronde. Dat vergt een wijziging van lagere regelgeving. Dat het gesprek deze maand gaat over wie de taak krijgt en niet over die twee velden, vat het dossier samen.

Geen van de drie punten hangt af van de vraag of de taak bij het Rijk hoort of bij gemeenten.

Om 09.10 uur ging in die groep de vacature rond. Van alles wat er die ochtend passeerde ging dat bericht als enige over borging, en als enige over een kind in plaats van over een aantal. Wie wil weten hoe dit dossier er over vijf jaar voor staat, kan het commissiedebat overslaan en nagaan of die vacature vervuld is, en of degene die haar vervulde er dan nog zit.



Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian. De auteur is kwartiermaker van een van de 41 jeugdregio’s en voorzitter van de raad van toezicht van Stichting Kafkabrigade. De praktijkobservatie in §01 en §08 is geanonimiseerd.

Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.

Footnotes

  1. Kamerbrief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, Eerste landelijk beeld jeugdigen in één-op-één setting en/of buitencontractueel, buitenregionaal aanbod, 1 september 2026, Kamerstukken II 31 839, nr. 1183 (2026Z17586). De minister ontving de rapportage op 20 augustus; het rapport zelf is gedateerd 24 augustus. ↩

  2. Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd, Zicht op Jeugd. Rapport fase 1, 24 augustus 2026, bijlage bij Kamerstukken II 31 839, nr. 1183; definities in §4.1, tabel in §5.2 (per regio, geanonimiseerd). De regio’s 16 en 21 leverden geen gegevens; de regio’s 33 en 39 melden nul in beide kolommen, regio 36 nul één-op-één. ↩

  3. Zembla, Gemeenten: honderden onhandelbare jongeren voor torenhoge bedragen gehuisvest op vakantieparken, 26 maart 2026, met de berichtgeving in Binnenlands Bestuur en bij de NOS van dezelfde datum. Het betreft een stroomcijfer over drie jaar; de nulmeting is een voorraadcijfer op één dag. ↩

  4. DUIC, 7 mei 2026: Utrecht plaatste in 2024 en 2025 minder dan tien jeugdigen alleen met 24-uursbegeleiding, voor bijna 1,8 miljoen euro. RTV Utrecht, mei 2026: gemeente en aanbieder bevestigen ongeveer tien jongeren met één-op-één of twee-op-één begeleiding in een jaar in de regio Amersfoort. Zembla, 26 maart 2026: Smallingerland gaf in twee jaar ruim 3 miljoen euro uit aan een handvol jongeren. Kijk op Steenbergen, september 2026: 2,3 miljoen euro extra nodig voor jeugdhulp in 2026, waarvan 1,2 miljoen door twee maatwerkarrangementen. Omrekening naar voorraad per miljoen inwoners bij een aangenomen plaatsingsduur van een half tot een heel jaar; bevolkingscijfers zijn benaderingen en de omrekening is van de auteur. ↩

  5. Artikel 6.1.2 e.v. Jeugdwet. ↩

  6. Kamerbrief Acties aanpak ten behoeve van passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek, 15 april 2026. ↩

  7. Raad voor het Openbaar Bestuur, Position paper jeugdzorg, gebaseerd op de bijdrage van raadslid Peter Verheij aan een expertsessie van de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd op 4 juni 2026, openbaar gemaakt op 31 augustus 2026. ↩

  8. Wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet, internetconsultatie tot en met 13 april 2026; het voorstel versterkt de positie van het lokale team bij verwijzing naar jeugdhulp. De doelstelling van één op zeven naar één op tien jongeren in drie jaar komt uit de afspraken tussen Rijk en VNG. ↩

  9. Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, inwerkingtreding per 1 januari 2026 en per 1 januari 2027. De indeling in 41 jeugdregio’s staat in artikel 2.2.2 van het Besluit verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. ↩