8 oktober 2026 · analyse
Wie het getal zet
Twee dossiers, één weggegeven besluit
Twee weken lagen ertussen. Op 24 juli 2026 betoogde Peter C. Leferink in NRC dat Nederland fast fashion niet aanpakt omdat een wettelijke definitie ontbreekt, en dat er zonder definitie geen handhavingsgrond is: geen boete, geen importweigering, geen reclameverbod.1 Op 7 augustus reconstrueerden Liza van Lonkhuyzen en Timo Nijssen in hetzelfde blad waarom de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel, sinds juli 2023 van kracht, de afvalberg niet heeft laten krimpen.2 Het eerste stuk gaat over een instrument dat er niet is. Het tweede over een instrument dat er wel is. Ze beschrijven dezelfde gebeurtenis.
In beide dossiers heeft de staat het woord behouden en de stoel weggegeven. Het woord is de wet, de doelstelling, de definitie: alles wat in een Kamerbrief kan staan. De stoel is de plek waar het getal wordt gezet dat bepaalt wie geraakt wordt en voor hoeveel. Die stoel is tweemaal buiten het nationale bestuur komen te staan, en beide keren is dat gepresenteerd als een technische voorvraag.
Het besluit dat als voorvraag wordt gepresenteerd
De definitie ís het beleid. Wie vaststelt bij welke omloopsnelheid, welke prijsstelling en welke advertentie-intensiteit een aanbieder onder de regeling valt, bepaalt daarmee de volledige reikwijdte ervan. Frankrijk laat dat onbedoeld zien. De wet van 8 juli 2026 noemt twee criteria, een groot aantal nieuwe artikelen en een geringe prikkel tot reparatie, en laat de drempels over aan een decreet dat eind september nog niet was verschenen.3 Volgens de Franse pers liet de regering vooraf toetsen dat zes Franse ketens, onder wie Kiabi en Decathlon, buiten de regeling vallen, terwijl Shein, Temu en AliExpress als het eigenlijke doel worden genoemd.4 De uitkomst stond vast voordat het criterium bestond. Dat is de definitie als verdeelbesluit, met een technisch gezicht.
Nederland heeft die stoel op een andere manier weggegeven. Het advies waar Leferink naar verwijst, het KplusV-onderzoek uit maart 2020 in opdracht van Infrastructuur en Waterstaat, is uitgevoerd. Wie het rapport openslaat, vindt geen scherpe definitie die wacht op moed, maar de uitdrukkelijke vaststelling dat fast fashion een fenomeen is dat waarneembaar is en niet tastbaar, dat alle typen kleding eronder kunnen vallen, en dat het aan te bevelen is fast fashion te beschouwen als verschijningsvorm van consumentisme waarin alle actoren een rol hebben.5 Een nationale definitie is er sindsdien niet gekomen. In 2026 noemt het kabinet een definitie de eerste stap, en zoekt het die in Europees verband, met Duitsland en Frankrijk. Een nationaal reclameverbod krijgt zonder werkbare definitie geen vervolg.6 De Textieltafel stelde voor dat Nederland meewerkt aan een Europese definitie. Leferink las daarin terecht een keuze: meewerken, niet vaststellen.1
Daarmee gaat de stoel naar een Europese tafel waar Nederland één stem heeft. Tussen maart 2020 en augustus 2026 is het object materieel veranderd: dagelijkse in plaats van seizoensgebonden introductie van artikelen, algoritmisch gepersonaliseerde verkoop op individueel schermniveau, en een pakketstroom van buiten de Unie die in 2020 nog geen factor van betekenis was. Het rapport zag een deel van die verandering aankomen, in een geciteerde vooruitblik op ultra-fast fashion die wordt ontworpen op klikgedrag en algoritmes, in de paragraaf over gamechangers. De conclusie is getrokken op de markt van vóór de breuk, en het woord op de kaft is hetzelfde gebleven. Woordcontinuïteit boven materiële breuk, in zes jaar.
De stoel die leeg bleef
Het tweede dossier laat zien wat er gebeurt wanneer de staat wél een instrument bouwt en dezelfde stoel leeg laat. De upv textiel legt kledingmerken juridisch afdwingbare percentages op voor hergebruik en recycling, van vijftig procent in 2025 oplopend tot vijfenzeventig procent in 2030.7 Wat het besluit niet vaststelt, is het bedrag dat producenten aan inzamelaars en sorteerders betalen. Dat wordt aan de markt gelaten. Twee ambtenaren van het ministerie, aanwezig bij het eerste ketenoverleg in januari 2025, zeggen volgens de reconstructie blij te zijn dat alle partijen om tafel zitten en houden zich verder op de vlakte, want bij een upv is het aan de markt.
Wat vervolgens gebeurt, is voorspelbaar zodra men het als een zetelvraag leest. De producentenorganisatie die het bedrag moet betalen, laat zelf onderzoek doen naar de kosten die de ontvangende partij maakt, volgens NRC onder een geheimhoudingscontract met een boetebeding van tienduizend euro. De uitkomst, in november 2025: over 2024 kwam de afvalsector niet of nauwelijks tekort, tegenover eerdere ramingen van structurele tekorten, onder meer van Rebel in opdracht van de inzamelaars en sorteerders.8 Het bod aan één inzamelaar daalde voor 2026 van elf naar drie cent per kilo textiel, minder dan een cent per kledingstuk. In juni 2026 erkende dezelfde stichting netto tekorten tot veertien cent per kilo voor 2025 en 2026.9 Wie de meting betaalt, zet het getal. De staat schreef de verplichting en liet de maatstaf van die verplichting bepalen door de partij die haar moet betalen.
Wat er wel geteld wordt
Het besluit telt hoeveel textiel wordt klaargemaakt voor hergebruik of wordt gerecycled, tot en met vezel-tot-vezelrecycling. Voor de stap die de keten sluit, de toepassing van gerecyclede vezels in nieuwe kleding, geldt alleen een inspanningsplicht.7 Het gevolg is precies wat een telbaarheidsval oplevert. Volgens de reconstructie draaien de recyclers die het garen kunnen maken op een fractie van hun capaciteit bij gebrek aan orders, terwijl gerecycled garen twee tot tweeënhalf keer zo duur is als garen uit nieuw materiaal,10 en de balen tweedehandskleding zich meters hoog opstapelen omdat de exportmarkt is ingestort onder concurrentie van dezelfde goedkope kleding die de regeling zou moeten indammen.
Het scherpste cijfer in de reconstructie is een non-beweging: afvalverbrandingscentrales merken volgens NRC geen verandering in de hoeveelheid textiel die wordt verbrand, en sorteerders halen jaar op jaar rond de drieënvijftig miljoen kilo uit de bakken. Zelfs wanneer alle drie de producentenorganisaties hun wettelijke vijftig procent halen, zegt dat niets over de totale markt, omdat een onbekend deel van de textielondernemers zich nergens heeft aangesloten. Bij ruim tachtig procent van de meer dan 135 textielbedrijven die de inspectie bezocht, was de regeling onbekend.11 Het instrument kan volledig slagen op eigen meetlat terwijl de werkelijkheid die het adresseert onbewogen blijft. Dat is de definitie van een gestolde uitkomst: de output van de vorige ronde wordt de gegevenheid van de volgende.
Bevoegdheid en structuur
Het aantrekkelijke verwijt luidt dat het kabinet niet durft. Het mechanisme ligt dieper, en op het punt waar het verwijt het meest voor de hand ligt, klopt het niet. Sinds 1 juli 2026 heft de Unie een tijdelijk douanerecht van drie euro per artikel op pakketten onder de honderdvijftig euro, en daarmee is de vrijstelling feitelijk vervallen. De handling fee van twee euro per artikel volgt uit het nieuwe douanewetboek van de Unie en gaat naar verwachting op 1 november in.12 Daar is Nederland werkelijk onbevoegd; het kabinet schreef in juni dat het de fee niet eenzijdig eerder kan invoeren.6 Het mechanisme zit erin dat die echte onbevoegdheid op één instrument de terughoudendheid dekt op vier instrumenten die volledig nationaal zijn: definitie, reclameverbod, fiscale behandeling van overproductie, onderwijs.
De harde aanwijzing dat het om structuur gaat, staat in de handhaving. De inspectie die het besluit moet handhaven, de ILT, toetste in 2022 de handhaafbaarheid van het besluit dat haar eigen ministerie toen schreef. Zij raamde bijna zeventien voltijdbanen als de verantwoordelijkheid bij individuele producenten zou blijven, tegen bijna zes met een producentenorganisatie, en beoordeelde de handhaafbaarheid zonder collectief als onvoldoende. Het ministerie schreef in de toelichting dat de schatting aangeeft dat handhaving wel mogelijk is.7 In 2024 beoordeelde de inspectie de uitwerkingsregeling opnieuw als onvoldoende handhaafbaar.13 Volgens de reconstructie in NRC kreeg de handhaving twee formatieplaatsen. Dat zijn twee onverenigbare registers in één ministerie, en niemand corrigeert. Het is dissociatie in de meest letterlijke vorm die een dossier kan opleveren.
In de Strategische Driehoek is de uitkomst navenant. De politieke legitimiteit is gemaximaliseerd: er is een besluit, er zijn jaarlijks oplopende doelstellingen. De operationele capaciteit is volgens NRC vastgesteld op twee formatieplaatsen, voor een markt van bijna een miljard kledingstukken per jaar.14 De publieke waarde is nooit als afzonderlijke grootheid gemeten, want de doelstellingen meten percentages hergebruik en recycling, niet de omvang van de afvalberg. Eén hoek gemaximaliseerd ten koste van de andere twee, en de faalwijze volgt daaruit zonder dat iemand een verkeerde keuze hoefde te maken.
De borgingsvraag
Wat houdt hier stand wanneer niemand kijkt? In het definitiedossier: een vraag die nationaal sinds 2020 niet meer is beantwoord en nu wacht op een Europese tafel. In het upv-dossier: een verplichting waarvan de omvang wordt bepaald door de betalende partij en waarvan de handhaving volgens de eigen inspectie onvoldoende is. In beide gevallen is het document er en de drager niet.
Daaruit volgen twee toetsen die verder reiken dan textiel. De eerste: elk instrument dat een norm delegeert moet expliciet benoemen wie de maat vaststelt, en die zetel publiek beleggen. Een verplichting waarvan de betaler de kostprijs laat onderzoeken, is een onderhandelingspositie. De tweede: een advies dat ouder is dan de materiële verandering van zijn eigen object moet opnieuw worden verdedigd voordat het als beleidsgrondslag mag dienen. Zonder zo’n herzieningsmoment blijft beleid kloppen met een werkelijkheid die er niet meer is, en klopt het des te overtuigender naarmate het langer geleden werd vastgesteld.
De vraag aan de Kamer is dus waar de stoel staat waarop het getal wordt gezet. In het ene dossier is hij naar Brussel gegaan, in het andere bij de betaler beland.
Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.
Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.
Footnotes
-
Peter C. Leferink, ‘Het moet gedaan zijn met de trage aanpak van fast fashion’, NRC, 24 juli 2026. ↩ ↩2
-
Liza van Lonkhuyzen en Timo Nijssen, reconstructie van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid textiel, NRC, 7 augustus 2026. Waar dit stuk “volgens NRC” of “volgens de reconstructie” schrijft, is dat artikel de enige vindplaats. ↩
-
Loi n° 2026-602 du 8 juillet 2026, JORF n° 159 van 9 juli 2026; de drempels volgen bij décret en Conseil d’État. De ontwerpwet is bij de Europese Commissie genotificeerd onder TRIS 2025/0336/FR; de Commissie en Zweden brachten gedetailleerde meningen uit. ↩
-
Franse persberichtgeving van juli 2026 over de toetsing door het ministerie van Ecologische Transitie (onder meer L’Écho en Créamode); een primair overheidsdocument over de toetsing is niet gevonden. ↩
-
Fast fashion onderzoek. Vermindering van de negatieve impact, KplusV, Arnhem, 30 maart 2020, kenmerk 1019169-019, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. ↩
-
Antwoorden op Kamervragen over ultra-fast fashion, Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 2388, 26 juni 2026; kabinetsreactie op het eindrapport van de Textieltafel, Kamerstukken II 32 852, nr. 408, 26 juni 2026. ↩ ↩2
-
Besluit uitgebreide producentenverantwoordelijkheid textiel, Stb. 2023, 132, in werking per 1 juli 2023, artikelen 3 tot en met 6, en de nota van toelichting, §6 (handhaafbaarheidstoets ILT van 19 januari 2022). ↩ ↩2 ↩3
-
Stichting UPV Textiel, kostprijsonderzoek KPMG, gepubliceerd november 2025; Rebel, onderzoek naar kosten en opbrengsten aan de achterkant van de textielketen, in opdracht van de Vereniging Herwinning Textiel. ↩
-
Stichting UPV Textiel, ‘Oplopende tekorten textielketen 2025-2026’, 17 juni 2026. ↩
-
CE Delft, aanvullende informatie textiel-tot-textielrecycling, juli 2025, in opdracht van Rijkswaterstaat. ↩
-
Inspectie Leefomgeving en Transport, ‘Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onbekend bij bedrijven’, 27 februari 2026. ↩
-
Raad van de Europese Unie, akkoord over een tijdelijk douanerecht van drie euro per artikel per 1 juli 2026, 12 december 2025; nieuw douanewetboek van de Unie, Verordening (EU) 2026/2108, en de gedelegeerde handeling over de handling fee van 21 september 2026. ↩
-
Inspectie Leefomgeving en Transport, uitvoeringstoets ministeriële regeling upv textiel, ILT-2024/40756, 18 september 2024. ↩
-
Milieu Centraal: bijna een miljard kledingstukken per jaar op de Nederlandse markt. ↩