§Reeks III · Nº 03 · Patroon 2
De woordcontinuïteit die de materiële breuk maskeert
Hoe een paar onveranderde woorden, gedragen door oprechte sprekers, een Nederland in stand houden dat zijn affordances al heeft losgelaten
§ 01 · Het hofje dat geen hofje is
In de verkoopbrochure van een nieuwbouwproject in een middelgrote Nederlandse stad staat de naam in tien hoge serifletters: Het Hofje aan de Vliet. De foto eronder toont een binnenplaats met een oude kastanje, een bankje, geveltjes in het licht van een Hollands schilderij van Pieter de Hooch. Drie pagina’s verderop, onder een gestileerde plattegrond, staat de specificatie. 48 appartementen, gemiddeld 51 vierkante meter, zes verdiepingen, geen binnenplaats maar een deelbalkon, eigendom van een institutionele belegger, huur 1.450 euro voor twee kamers, minimale verblijfsruimte conform het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Iedereen aan tafel bij de oplevering, de wethouder, de directeur van de ontwikkelaar, de pers, de eerste bewoners die de sleutel komen ophalen, gebruikt een woord. Een nieuw hofje. Niemand liegt. De directeur woningbouw die het zegt, en die aan zijn eigen oma denkt die in zo’n hofje haar laatste jaren sleet, meent het. De wethouder die het overneemt en verbindt aan de gemeentelijke ambitie van thuis voor iedereen, meent het. De brochure die het ontwerpt, meent het. De bewoners die het verhuiscontract tekenen, hopen dat het waar is. En toch is wat zij betekenen wanneer zij het woord uitspreken, en wat zij geleverd hebben gekregen wanneer de sleutel in het slot valt, twee verschillende dingen. Niet doordat iemand bedrogen heeft. Doordat een woord uit één tijdslaag is blijven hangen in een ander tijdsgewricht, en het werk doet dat de huidige inhoud niet meer kan doen.
§ 02 · Wat het patroon is
Dit is het derde paper in Statecraft Reeks III, en het tweede waarin een concreet patroon wordt uitgewerkt na het meta-patroon van De oprechte stem (Nº 01). Het eerste concrete patroon, beschreven in De gestolde uitkomst als gemanifesteerde voorkeur (Nº 02), ging over de bestuurder die zegt dat mensen X willen, terwijl X de uitkomst is van een aanbodbeslissing. Het patroon van deze paper ligt direct daarnaast en werkt voort onder hetzelfde dak, maar grijpt op een ander niveau aan. Niet de uitkomst, maar het woord doet het werk. Niet de keuze die wordt gemanifesteerd, maar de term die de keuze omhult.
Het patroon is precies dit. Een woord blijft in gebruik. Huis, biologisch, gemeenschap, duurzaam, flexibel, participatie, en daarnaast tientallen anderen. De materiële, sociale, juridische of functionele inhoud van het ding waarnaar het woord verwijst is veranderd, soms tot in zijn tegendeel. De cultuurherinnering aan het woord doet vervolgens het werk dat de huidige inhoud niet meer kan doen. De spreker hoeft niet te liegen. Hij hoeft alleen het beschikbare woord te gebruiken. De institutie hoeft niet te misleiden. Zij hoeft alleen het beschikbare woord in haar wetgeving, haar contracten en haar marketing te handhaven. Het sociale weefsel rond het woord doet de rest.
Wat het patroon niet is, moet helder zijn. Geen samenzwering. De directeur woningbouw, de minister die flexibilisering uitspreekt, de welzijnsmedewerker die gemeenschap in haar projectnotitie zet, geen van hen liegt. Geen domheid. De gebruikers van deze woorden zijn ontwikkelde, vaak hooggeschoolde professionals die hun werk goed doen binnen de kaders waarin het hun is opgedragen. Geen plotseling bedrog. De verschuiving voltrekt zich over decennia, in tienden van procentpunten per jaar, in vierkante meters per appartement, in dagen tot eerstvolgende contractbeëindiging, in ledenaantallen die langzaam dalen. Het patroon werkt onder dat alles door, als de filologische onderkant van wat in Reeks I institutionele dissociatie heette en in Reeks II als doorwerking voor burgers leesbaar werd.
§ 03 · Drie tradities die het zien
De stelling dat woorden hun ding kunnen verlaten zonder dat de spreker het merkt, is niet nieuw. Drie intellectuele tradities hebben er afzonderlijk een fragment van gevangen. Voor onze paper zijn zij niet decoratie maar gereedschap.
De eerste komt uit de politicologie. Giovanni Sartori publiceerde in 1970 in de American Political Science Review een methodologisch stuk dat hij Concept Misformation in Comparative Politics noemde. Zijn waarschuwing was technisch. Een begrip kan langs een ladder van abstractie worden bewogen. Hoe abstracter, hoe meer gevallen het dekt, en hoe minder kenmerken het definieert. Wanneer een onderzoeker de extensie van een begrip vergroot zonder de intensie te verminderen, wat Sartori conceptual stretching noemde, krijgt hij een begrip dat overal op past en nergens meer onderscheidt. Democratie dat zowel Zweden als Wit-Rusland dekt. Welzijn dat zowel een buurthuis als een bezoekprotocol omvat. Hofje dat zowel de Bakenesserkamer als een beleggersappartementenblok aan de Vliet betreft.¹ Sartori zag stretching als wetenschappelijke fout en niet als sociaal verschijnsel. Voor onze paper levert hij niettemin het instrumentarium om aan te tonen wat er gebeurt wanneer een woord op iets nieuws wordt gelegd zonder dat zijn definiërende kenmerken meeschuiven.
David Collier en James Mahon scherpten Sartori’s gereedschap aan in 1993. Hun bijdrage, Conceptual Stretching Revisited, importeerde inzichten uit de cognitieve linguïstiek over radial categories en family resemblance.² Veel begrippen, betoogden zij, hebben geen harde definitie maar een centraal prototypisch geval waaromheen secundaire, verwante gevallen liggen. Het centrale geval bij huis is de eengezinswoning met tuin uit de naoorlogse cultuur. Het secundaire geval is de studio in een hoogbouwblok. De aantrekkingskracht van het woord werkt vanuit het centrum. De spreker doet onbewust beroep op het prototype, terwijl hij materieel iets perifeers aanbiedt. Dat is precies de structuur waarmee onze paper werkt. Niet woorden die hun definitie verliezen, maar woorden die hun centrum behouden in de cultuurherinnering, terwijl hun toepassing zich naar de rand heeft verplaatst.
De tweede traditie is filologisch en moreel zwaarder. Victor Klemperer, professor Romaanse talen in Dresden, joods, ontslagen door de nazi’s, hield tussen 1933 en 1945 een dagboek bij van de taal van het Derde Rijk. Hij noteerde woord voor woord hoe een taal die hij als academisch volkomen vertrouwde langzaam veranderde onder zijn voeten. LTI: Lingua Tertii Imperii, gepubliceerd in 1947, is geen polemiek. Het is een filologisch logboek. Klemperers centrale stelling is dat het nazisme nauwelijks nieuwe woorden schiep. Het herbestemde bestaande woorden, door miljoenen herhalingen, automatisch en onbewust overgenomen.³ Fanatisch schoof in de LTI van een pejoratief begrip naar een lofterm voor de partij. Organisch werd ingezet om iedere ingreep van bovenaf te legitimeren als natuurlijk gegroeid. Volk veranderde van demografische naar metafysische categorie. De spreker merkte het verschil niet. De woorden, zoals Klemperer ergens schreef, werken als kleine doses arsenicum. Onbemerkt ingenomen, schijnbaar zonder werking, en na enige tijd is de gifwerking er.⁴
De Klemperer-discipline, het noteren van woorden tegenover hun ding, is voor onze paper de kern. Zij vraagt geen oordeel over de spreker. Zij vraagt alleen het registreren. Welk woord wordt gebruikt. Welk ding wordt geleverd. Wat is het verschil. Wie houdt het verschil in stand door het woord te blijven uitspreken.
De derde traditie komt uit de filosofie. Ludwig Wittgenstein in zijn Philosophical Investigations (1953) verbond betekenis aan gebruik. Een woord betekent wat het in een taalspel doet, en dat taalspel is ingebed in een levensvorm. De pointe voor onze analyse: wanneer de levensvorm waarbinnen een woord functioneerde verandert of verdwijnt, verandert wat het woord doet, ook al blijft de klank gelijk. Familienähnlichkeit, zoals Wittgenstein het noemde, beschrijft hoe begrippen als spel of gemeenschap een verzameling overlappende gelijkenissen dekken zonder een harde definitiekern. Het is mogelijk dat een woord doorrolt naar een toepassing waarmee zijn oorspronkelijke gebruik geen enkele eigenschap meer deelt, behalve de gelijkenis met een tussenliggende toepassing.⁵ Wittgenstein levert daarmee de filosofische rechtvaardiging voor de stelling dat woordcontinuïteit en betekeniscontinuïteit niet hetzelfde zijn. Een spreker die oprecht denkt dat hij hetzelfde zegt als zijn voorganger, kan binnen een ander taalspel staan zonder daar zelf in te zijn ingeleid.
Achter deze drie tradities staan kleinere ankers die in voetnoten worden geactiveerd. Reinhart Kosellecks Vergangene Zukunft (1979) levert het diachrone schema waarin een woord een Erfahrungsraum en een Erwartungshorizont draagt die uit een eerdere tijdslaag stammen.⁶ Pierre Bourdieus Language and Symbolic Power (1991) levert de sociologie van de markt waarop legitiem spraakgebruik wordt geproduceerd door wetgever, brancheorganisatie, marketing en wetenschap.⁷ George Orwell, Politics and the English Language (1946), leverde de scherpste en meest geciteerde formulering: de grote vijand van heldere taal is onoprechtheid.⁸ Voor ons werk is dat citaat ironisch precies omdat onze paper laat zien dat de vervorming juist door oprechte sprekers wordt gedragen. Niet onoprechtheid. Een veel hardnekkiger weefsel.
Met deze drie aderen kan de paper aan haar empirische werk beginnen. Sartori-Collier-Mahon levert het analytische instrument. Klemperer levert de morele temperatuur en de discipline. Wittgenstein levert de filosofische onderbouw. De rest is materieel.
§ 04 · Zes Nederlandse dossiers
Het woord huis in nieuwbouw
In de Nederlandse cultuurherinnering van na 1945 dekt het woord huis een eengezinswoning met grond, gemiddeld 100 tot 130 vierkante meter gebruiksoppervlak, drie tot vier kamers, een tuin of erf, in eigendom of corporatiehuur, bedoeld voor levenslang of generationeel gebruik. Het woord transporteerde een hele imaginary van eigenaarschap, intimiteit en buurt, en is door tientallen jaren van bouwsubsidies, hypotheekrenteaftrek en huurharmonisatie als zodanig institutioneel verankerd. De projectie was niet sentimenteel maar feitelijk. Wie huis zei, zei al die affordances tegelijk.
De materiële realiteit van 2024-2026 is een andere. De gemiddelde gebruiksoppervlakte van een nieuwbouwwoning is gedaald van circa 118 vierkante meter in 2021 naar 99 vierkante meter per 1 januari 2026.⁹ Sinds 2023 is meer dan de helft van de nieuwbouw appartement, in 2025 bijna 40.000 op een totaal van 69.000 vergunde nieuwbouwwoningen. In Amsterdam was 96 procent van de nieuwbouw 2025 een appartement, in Eindhoven 93 procent, in Utrecht 87 procent, in Rotterdam 87 procent.¹⁰ In 2023 werden voor het eerst sinds de start van de meting in 2012 meer huurwoningen dan koopwoningen vergund. Het Besluit bouwwerken leefomgeving, in werking sinds 1 januari 2024, vereist voor een woonfunctie een verblijfsruimte van ten minste elf vierkante meter en een breedte van drie meter; een studentenwoning kan op deze eisen, met een vrijstelling voor gemeenschappelijk verblijfsgebied, tot ongeveer achttien vierkante meter privé-oppervlakte zakken.¹¹
De spraak blijft. Op de campagnesite van een grote bouwer staat dat de organisatie door heel Nederland een thuis bouwt voor iedereen, en dat zij zichzelf liever buurtontwikkelaar noemt. Projectnamen ademen de oude imaginary. Het Hofje aan de Vliet. Nouveau Rhenen. Het Dorp Zuid-As. Een nieuwbouwproject in Nijmegen draagt de naam LOYD, een knipoog naar Frank Lloyd Wright, en bevat 78 appartementen die als luxueuze woningen worden gepresenteerd in een gebouw dat met geen enkel kenmerk uit het naoorlogse repertoire van huis overlapt behalve het woord. Marketing functioneert hier zoals Bourdieu dat beschreef: de markt selecteert woorden met de hoogste affectieve aantrekkingskracht, en die zijn de oude woorden.
Wat het woord huis doet in deze constellatie is precies wat Klemperer in een ander register zag gebeuren. De klank blijft. De cultuurherinnering aan de eengezinswoning met tuin, met de affordance van de levenslange overdracht en de praktische zekerheid dat de bewoner ook eigenaar is, blijft in de associatie. De feitelijke leverantie is een appartement van een en vijftig vierkante meter, in eigendom van een institutionele belegger, met een huurcontract dat juridisch geen levenslange zekerheid garandeert. Capital Value rapporteerde dat het aandeel internationale beleggers in de Nederlandse woningbeleggingsmarkt daalde van 32 procent in 2022 naar 1 procent in 2025, terwijl Nederlandse pensioenfondsen voor de komende drie jaar 12,7 miljard euro beschikbaar hebben aangegeven voor investeringen in huurwoningen.¹² De afgrenzing van institutioneel beleggen is in deze cijfers strikt; smallere of bredere definities verschuiven de absolute verhoudingen, niet de richting. Het beeld van de bewoner-eigenaar van een gezinswoning is statistisch een minderheidspositie geworden in de nieuwbouw. Het woord huis draagt de meerderheid die historisch geldt en de minderheid die actueel geleverd wordt door één en hetzelfde geluid heen.
De afstand tussen woord en ding is hier niet abstract. Een woningzoekende die op basis van de term een nieuw huis een verwachting opbouwt over wat hij gaat bewonen, leert pas bij de bezichtiging dat de term niet hetzelfde dekt als bij zijn ouders. De ouder die zijn kind een huis wil nalaten, ontdekt dat hetzelfde woord op zijn eigen woning iets anders betekende dan op het complex waarin zijn kind nu huurt. De wethouder die in een raadsdebat 500 nieuwe huizen zegt te realiseren, levert iets anders dan zijn voorganger uit de jaren tachtig, terwijl het politieke gewicht van de zin op de oude betekenis blijft drijven. Albert Hirschman beschreef in Exit, Voice, and Loyalty (1970) dat ontevredenheid met een aanbod zich uit in exit of in voice; waar exit ontbreekt, krijgt voice geen aangrijppunt op het woord dat het onpassende ding bekleedt.¹³ De bewoner die geen alternatief heeft, blijft het zijne huis noemen, omdat hij geen ander beschikbaar woord en geen andere beschikbare woning heeft. Niemand spreekt vals. Het woord doet het werk.
Het woord biologisch in supermarktassortiment
In de Nederlandse cultuurherinnering van de jaren zeventig en tachtig was biologisch politiek geladen. Het verwees naar Demeter, biologisch-dynamisch sinds 1928, kleinschaligheid, lokale productie, weigering van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, vaak met een wereldbeschouwelijke achtergrond. Het woord markeerde een beweging. Het droeg de affordance van anders dan industrieel.
De huidige institutionele inhoud is iets anders. SKAL Biocontrole certificeert in opdracht van de overheid op basis van EU-Verordening 2018/848. De eisen zijn industriebreed toepasbaar en omvatten geen kleinschaligheid en geen lokaalheid. Een biologisch ei mag uit een stal van 24.000 leghennen komen, mits het voer biologisch is. Het biologisch landbouwareaal in Nederland bedroeg eind 2024 91.527 hectare, 5,1 procent van het totale areaal.¹⁴ Het marktaandeel biologisch in de supermarkt blijft hangen rond de vier procent, met een omzet van 1,77 miljard euro in 2024, tegenover bijvoorbeeld Denemarken 12,1 procent en Oostenrijk 9,3 procent.¹⁵ Het woord biologisch draagt de oude beweging, het ding levert een industriële niche.
Het patroon werd in april 2024 zichtbaar in een tussenstap. Albert Heijn deed in april 2024 een toezegging aan de Autoriteit Consument en Markt, zonder formele boete, om zijn claims meest duurzame supermarkt en we werken samen met onze telers en boeren aan een duurzamere toekomst terug te trekken, omdat zij onvoldoende waren onderbouwd.¹⁶ In hetzelfde voorjaar oordeelde de rechtbank Amsterdam dat KLM-claims als Vlieg verantwoord, CO2ZERO Verklein uw impact en het label Sustainable Aviation Fuel als duurzaamheidsoplossing in negentien reclame-uitingen misleidend en onrechtmatig waren; Booking.com haalde Travel Sustainable offline. Het patroon werkt zichtbaar door op de termen eerlijk, puur, natuurlijk, vers, boerenland, woorden die op verpakkingen ronddwalen zonder enige wettelijke definitie. ACM heeft sinds 2023 de Leidraad Duurzaamheidsclaims. De EU Empowering Consumers for the Green Transition Directive, Richtlijn 2024/825, trad op 26 maart 2024 in werking, met implementatieverplichting voor lidstaten uiterlijk 27 maart 2026, en wordt gevolgd door een aanvullende Green Claims Directive.¹⁷
Het verschil tussen woord en ding ligt hier niet in een leugen van de retailer. De keurmerken kloppen, de inspectie loopt, het etiket is technisch correct. Wat is verschoven is de cultuurinhoud. Biologisch in 2026 levert een industrieel-gecertificeerde productlijn binnen een conventionele supply chain, en draagt door dat label de associatie van een beweging die met die supply chain weinig te maken heeft. De consument die dacht ergens anders te kopen, koopt hetzelfde met een keurmerk. De boer die zich biologisch noemt en aan de norm voldoet, herkent zichzelf niet meer in de pioniers van wie hij het woord erfde. En de pioniers van Demeter die biologisch-dynamisch op hun product zetten, herzien hun terminologie omdat het woord biologisch alleen niet meer voldoende onderscheidt.
Het woord gemeenschap in welzijn en sociaal domein
In de Nederlandse twintigste-eeuwse traditie was gemeenschap verbonden aan vereniging, kerk, gilde, mutualiteit, buurt en familie. Het woord transporteerde gebondenheid: lidmaatschap, plicht, herhaalde ontmoeting, wederkerigheid die niet werd gefactureerd. Robert Putnam noemde dit bonding social capital, en zijn diagnose dat dit kapitaal in de tweede helft van de twintigste eeuw in westerse samenlevingen erodeerde, geldt voor Nederland niet minder dan voor de Verenigde Staten waarvoor hij haar beschreef.¹⁸
De Wmo 2015 articuleerde de bestuurlijke claim. Maatschappelijke ondersteuning is gericht op zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking, en op de bevordering van sociale samenhang. De troonrede van koning Willem-Alexander van 17 september 2013 introduceerde de participatiesamenleving als opvolger van de klassieke verzorgingsstaat. SCP-voorzitter Kim Putters omschreef de operatie als een transitie van verzorgingsstaat naar verzorgingsstad. Welzijnsorganisaties, Movisie, gemeentelijke teams en wijkcoaches namen de woordfamilie gemeenschapszin, eigen kracht, informele zorg over. De feitelijke leverancier werd een gefinancierde dienstverlener.
Het SCP zelf evalueerde vijf jaar later, in Sociaal domein op koers? (2020), dat de verwachtingen van het nieuwe beleid te hoog gespannen waren, met name over de zelfredzaamheid van mensen en een zorgzamere samenleving. Participatie en deelname van mensen met een beperking waren niet toegenomen.¹⁹ Tegelijkertijd staan de eenzaamheidscijfers. CBS rapporteerde dat in 2024 tien procent van de vijftienplussers zich sterk eenzaam voelde, 30 procent zich enigszins eenzaam voelde, en 61 procent zich niet eenzaam voelde, een verschuiving van 66 procent niet-eenzaam in 2019. De Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen meet onder achttienplussers in 2024 46 procent eenzaam, waarvan 33 procent matig en 13 procent sterk eenzaam.²⁰ De divergentie tussen beide instrumenten is methodisch; de orde van grootte staat los van de definitiekwestie. Onder alleenwonenden is veertien procent sterk eenzaam, onder eenoudergezinnen achttien procent. Kerkelijke betrokkenheid is sinds 2018 minderheid; vrijwilligerswerk vergrijst snel, en het verenigingslidmaatschap is tussen 2012-2014 en 2023-2024 gedaald van 70 naar 62 procent.²¹
Het woord gemeenschap op een Wmo-beschikking werkt in deze constellatie als een filologisch overblijfsel uit een taalspel dat de wijk niet meer kent. De welzijnsorganisatie levert een gefinancierde activiteit, met intake, productcode en aanbestedingscyclus. Wat zij niet levert, en niet kan leveren, is wat het woord historisch meebracht: gebondenheid die wederkerigheid genereert, herhaalde ontmoeting die over jaren onafhankelijkheid van een professionele aanbieder kweekt, een sociaal weefsel dat het uitvallen van één deelnemer collectief opvangt. Dat dit niet wordt geleverd is geen verwijt aan de welzijnsorganisatie. Haar opdrachtgever heeft het niet kunnen contracteren omdat gemeenschap in de gangbare aanbestedingstaal geen leverbare prestatie is. De cultuurherinnering aan het woord doet in de beleidstekst het werk dat de operationele werkelijkheid niet kan dragen. Een onderzoek van het SCP uit 2017 bracht het scherpst in beeld: bijna een vijfde van de Wmo-melders voelde zich enkele maanden na het keukentafelgesprek zeer eenzaam, ruim een kwart deed niet mee aan de samenleving via werk of verenigingsleven.²² De wet draagt het woord. De wijk draagt de stilte.
Het woord duurzaam bij biomassasubsidies
Duurzaam dateert in zijn moderne politieke gebruik uit het Brundtland-rapport van 1987. De definitie was inhoudelijk strikt: ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Het woord verbond zich aan generationele rechtvaardigheid en aan ecologische grenzen.
In de Nederlandse uitvoeringspraktijk van de SDE+ en SDE++ kreeg duurzaam een operationele bijbetekenis: bijgeschreven onder de Renewable Energy Directive, op basis van nationale duurzaamheidseisen, kwalificeerde houtige biomassa als hernieuwbare energiebron. Dat was juridisch correct. Materieel betekende het dat een biomassacentrale houtpellets verbrandt om elektriciteit en warmte te leveren, met een directe uitstoot per kWh die hoger ligt dan die van aardgas, en een hernieuwbaarheidsclaim die berust op de aanname dat het bos waaruit de pellets komen na decennia weer aangroeit. PBL bracht in 2020 het rapport Beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van duurzame biomassa uit en concludeerde dat houtige biomassa niet a priori een bijdrage levert aan klimaatdoelen, vanwege de koolstofschuld en de lange terugverdientijd.²³ De Algemene Rekenkamer waarschuwde al in 2015 dat draaiende SDE+-projecten gemiddeld 26 procent minder energie leveren dan op papier, deels door de beperkte beschikbaarheid van biomassa.²⁴
De spraak rond deze installaties bleef bij het woord. Vattenfall presenteerde de geplande biomassacentrale in Diemen als onderdeel van groene stadswarmte. De RWE-Eemshavencentrale ontving een subsidiebeschikking met een maximumbedrag van circa 930 miljoen euro voor bij- en meestook van biomassa over acht jaar. Het kabinet besloot in juni 2021 tijdelijk geen nieuwe subsidies meer te verstrekken voor warmteproductie uit houtige biomassa onder de honderd graden Celsius, in afwachting van een afbouwpad. De Raad van State vernietigde eind augustus 2023 de oorspronkelijke vergunning uit 2019 voor 212 kiloton houtpellets per jaar; Vattenfall trok op 16 oktober 2024 zelf de stekker uit het Diemen-project, na jaren van publieke en juridische druk.²⁵ Het woord duurzaam zelf werd in deze episode niet uit de communicatie verwijderd, alleen het project waarop het werd geplakt. De claim verhuisde naar warmtenetten, naar restwarmte, naar geothermie, en het woord bleef beschikbaar voor wat er op zijn beurt onder werd geschoven.
Het patroon in dit dossier is precies dat van Klemperer. Niet een woord dat is afgeschaft, maar een woord dat is doorgegeven aan een ander ding zonder dat het zijn associaties heeft losgelaten. Wie duurzaam zegt over een biomassacentrale, draagt door dat woord de associaties van zonne-energie, ecosysteembehoud en intergenerationele rechtvaardigheid mee, terwijl de schoorsteen meer CO₂ uitstoot dan haar gas-stokende equivalent. De inspecteur die het label toekent, doet zijn werk volgens de regels. De minister die de subsidie toekent, voldoet aan de wet. Het woord doet het politieke werk dat de schoorsteen niet kan doen.
Het woord flexibel in arbeidsmarkt-vocabulaire
In het naoorlogse Nederlandse arbeidsdiscours had flexibel nooit een politieke lading op zichzelf. Het verwierf positieve associaties in de jaren tachtig: aanpassingsvermogen, modernisering, ruimte voor ondernemerschap, emancipatie van bureaucratische rigiditeit. Wie een flexibele arbeidsmarkt zei, zei een arbeidsmarkt die werkt voor de mensen die haar bewonen.
De cijfers zijn andere. CBS rapporteerde voor 2024 2,7 miljoen werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en circa 1,3 miljoen zelfstandigen zonder personeel, samen 40 procent van alle werkenden. In het derde kwartaal van 2024 was elf procent van de werkzame beroepsbevolking zzp eigen arbeid; 33 procent had geen vaste arbeidsrelatie. Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie worden zes keer zo vaak werkloos als vaste werknemers (3,0 versus 0,5 procent in 2023). Een kwart van de zzp’ers heeft één opdrachtgever of is in hoofdzaak van één opdrachtgever afhankelijk.²⁶ De Commissie Borstlap, die op 23 januari 2020 haar eindrapport In wat voor land willen wij werken? uitbracht, stelde dat het verdienvermogen op het spel stond door de toename van flexwerk, met als gevolg versplintering van het bedrijfsleven en gebrek aan investering in praktijkscholing en ontwikkeling. De commissie pleitte voor een ordelijke arbeidsmarkt met drie contractvormen en een werknemer, tenzij-benadering.²⁷
Het woord flexibel bleef intact. Werkgeverskoepels accentueerden de noodzaak van een flexibele schil voor wendbaarheid. Beleidsdocumenten kozen flexibilisering als beheersbaar proces. De sociaalwetenschappelijke literatuur, met Guy Standing’s The Precariat (2011) als belangrijkste anker, gaf het ding zijn andere naam: precariteit. Twee woorden voor één werkelijkheid, met tegengestelde lading. Wie flexibel zei, droeg de cultuurherinnering aan emancipatie en kansen mee. Wie precariteit zei, droeg het cijfer van zes keer hogere werkloosheidskans en een kwart eenzijdige opdrachtgeverafhankelijkheid mee. De wet, in de vorm van de Wet DBA op handhavingsmoratorium en de aangekondigde Wet VBAR, probeerde het juridische apparaat bij de feitelijke verschuiving te brengen zonder het woord flexibel in zijn structuur te verlaten.²⁸ Quentin Skinner zou hier zijn klassieke begrip uit de retorica activeren: paradiastole, oftewel rhetorical redescription, de techniek om de evaluatieve lading van een begrip te verschuiven door synonymische substitutie. Flexibel en precair zijn dezelfde marktrealiteit met tegengestelde retorische lading. Wie het ene woord behoudt en het andere weert, doet politiek werk zonder dat de werkelijkheid verandert.
Het woord participatie in WMO en Participatiewet
Van alle woorden in deze paper draagt participatie de scherpste tegenstelling tussen herkomst en huidige lading. In de Nederlandse politieke traditie van Nieuw Links, de inspraakbeweging en de jaren zeventig-democratie verwees het naar zeggenschap, mede-eigenaarschap, deelname als burger met een stem. Wie meer participatie eiste, eiste invloed op besluiten die hem aangingen.
In de bestuurlijke praktijk van na 2013 werd participatie synoniem voor aanspreekbaarheid op eigen verantwoordelijkheid. De Participatiewet van 2015 was de hernoemde voormalige bijstand met aangescherpte tegenprestatie- en sollicitatieplicht. De Wmo 2015 verbond participatie aan zelfredzaamheid, met de bestuurlijke aanname dat burgers in staat waren tot een mate van zelfsturing waartoe een aanzienlijk deel van hen, blijkens later onderzoek, niet bleek. Het WRR-rapport Weten is nog geen doen (2017) toonde empirisch dat redzaamheid en doenvermogen een normaalverdeling volgen die slechts beperkt samenhangt met opleidingsniveau, en die verder wordt gedrukt door stress en mentale belasting bij life-events als echtscheiding, faillissement en ontslag.²⁹ De toeslagenaffaire was hiervan de meest schrijnende illustratie. Tienduizenden ouders moesten enorme bedragen terugbetalen omdat het stelsel veronderstelde dat zij zonder fout konden navigeren door een complex toeslagensysteem. De bestuurlijke aanname van zelfredzaamheid viel samen met de feitelijke onmogelijkheid om die te leveren.³⁰
Het woord participatie werd in dit proces niet door één persoon of partij gekaapt. Het werd langzaam, document na document, hertaald van zeggenschap naar aanspreekbaarheid. De cultuurherinnering aan het oude gebruik bleef hangen in de positieve klank van het woord, terwijl het ding ondertussen iets anders deed. Een Participatiewet die participatie belooft en een korting op de bijstand uitvoert, levert formeel wat haar titel zegt, en heeft tegelijk de zin van het woord omgekeerd. Mark Bovens, een van de auteurs van Weten is nog geen doen, drukte het in 2017 nuchter uit. Het beleid was te ver doorgeschoten. Het hield te weinig rekening met wat gewone mensen aankunnen.³¹ Het is dezelfde diagnose, in een ander register, die deze paper aan al haar dossiers stelt. De afstand tussen wat het woord belooft en wat het ding levert is geen detail. Zij is wat het woord laat doen aan mensen die het woord vertrouwen.
§ 05 · Drie internationale parallellen
Het patroon is niet specifiek Nederlands. Klemperers analyse van fanatisch, hierboven al als filologisch model behandeld, biedt het scherpste ankerpunt om hedendaagse parallellen leesbaar te maken. Daarop volgen drie internationale parallellen, een in detail en twee korter.
Klemperers analyse van fanatisch is het filologische ankerpunt. Het woord had voor 1933 in het Duits een negatieve klank: een fanatieker was een onevenwichtig, blind drijver. De LTI keerde de lading om. Fanatisch werd een lofterm voor de partij. Fanatisches Bekenntnis, fanatischer Wille, fanatische Treue. Klemperer noteerde dat geen redevoering of leerstof zonder dit bijvoeglijk naamwoord meer kon. Het oude register voor de tegenstander bleef gereserveerd: een fanatieke jood, fanatieke Engelsman droeg de oude pejoratieve lading. Hetzelfde woord kreeg twee tegengestelde ladingen afhankelijk van wie het droeg.³² De analogie met onze dossiers is niet dat de Nederlandse beleidsstaat een totalitair regime is. Zij is dat fanatisch in de LTI precies het filologische mechanisme demonstreert dat onze paper aanwijst. De klank blijft, het ding loopt weg, en wie de discipline mist om het verschil te noteren, draagt de inversie zonder het te weten. Tegen die achtergrond worden drie hedendaagse parallellen leesbaar.
Het Amerikaanse community is de eerste hedendaagse parallel, in detail behandeld. Het woord wordt zowel gebruikt voor gated community (een bewaakte enclave die het begrip gemeenschap afzet door precies anderen uit te sluiten), retirement community (een commerciële woonvorm voor ouderen met een entry fee en een service charge), als online community (een digitaal platform met gefactureerde interactie en advertentie-revenu). Sherry Turkle in Alone Together (2011) en Putnam in Bowling Alone (2000) documenteerden beide hoe het woord in stand blijft naarmate de gefuncteerde bonding afneemt.³³ Eric Klinenberg in Palaces for the People (2018) toonde aan dat de social infrastructure die het oude community feitelijk droeg (bibliotheken, parken, buurthuizen) in stedelijke planning vervangen werd door interpretatieve frames waarin het woord community nog wel verscheen maar de ondersteunende fysieke ruimte niet meer.³⁴ Het patroon is hetzelfde als in onze WMO-analyse: het woord gemeenschap vraagt iets dat de afgebroken infrastructuur niet meer kan leveren.
Korter genoemd: het Engelse care home in de Britse ouderenzorg, dat na privatisering sinds Thatcher het woord care op de verpakking houdt van wat in zijn meerderheid private equity-portefeuilles zijn geworden, met de schandalen rond Southern Cross (2011) en de daaropvolgende sector-instabiliteit als materiële tegenproef.³⁵ En het Franse laïcité, dat in de wet van 1905 scheiding van kerk en staat regelde, en in de wet 2004-228 van vijftien maart 2004 over religieuze symbolen op openbare scholen verschoof van neutraliteit van de staat naar regulering van zichtbare religieuze expressie van burgers. Hetzelfde woord, een radicaal andere materiële inhoud.³⁶
§ 06 · Hoe het mechanisme werkt
Het mechanisme van woordcontinuïteit met materiële breuk is geen bewuste leugen. Wie zou liegen wist dat hij dat deed. De analyseopgave is om te verklaren hoe oprechte sprekers, zonder kwade bedoeling, de vervorming reproduceren. Vier samenhangende lagen.
Psychologisch. Het oude woord biedt cognitieve gemak. Het hoeft niet te worden uitgelegd, het roept een vertrouwd beeld op zonder dat de spreker dat beeld toetst aan het ding. Daniel Kahneman zou dit cognitive ease noemen, de afwezigheid van mentale wrijving die nodig zou zijn om de afstand tussen beeld en feit op te merken. Het woord huis draagt warme affecten van intimiteit, geborgenheid en generationaliteit, die het oordeel over het object beïnvloeden voordat het object is geanalyseerd. Klemperer noemde het automatisch en onbewust overgenomen herhaling: het woord wordt geactiveerd zonder dat de gebruiker zich realiseert dat het wordt geactiveerd. Het opgeven van het woord wordt ervaren als verlies van iets waardevols, ook al is wat erachter zit allang opgegeven.
Organisatorisch. Marketinginstinct selecteert woorden met de hoogste affectieve aantrekkingskracht, dus de oude. Een nieuwbouwbrochure die spreekt van een nieuw tweekamerappartement van vijftig vierkante meter voor de vrije huurmarkt presteert slechter dan een die spreekt van een nieuw thuis. Juridische definities lopen achter op feitelijke verschuiving. Het Bbl uit 2024 staat een woonfunctie van achttien vierkante meter privé-oppervlakte toe; dezelfde categorie als een naoorlogse woning van honderd. Beleidstaal suggereert continuïteit om legitimiteit te bewaren. De Wmo 2015 hergebruikt het woord gemeenschap om aan de bezuinigingsoperatie het democratisch-warme aura van de oude verzorgingsstaat mee te geven. Identiteit van professionals: de woningcorporatiedirecteur die opgegroeid is in de cultuur van eengezinswoningbouw blijft het woord huis gebruiken voor wat hij nu produceert; voor hemzelf is dit consistentie, niet vervorming.
Institutioneel. Wetgeving levert een juridisch frame waaraan uitvoering zich aanpast. De Participatiewet draagt het woord participatie in haar titel; de uitvoeringsambtenaar die een korting op de bijstand verstuurt levert formeel participatie. De Wmo dwingt de gemeente zelfredzaamheid en participatie te bevorderen; de welzijnsorganisatie die activiteiten organiseert kan zonder zelfbedrog rapporteren dat zij dat doet. Bourdieu heeft hier het cruciale punt: de institutie produceert legitiem spraakgebruik, en de drager hoeft daarvan niet bewust te zijn om eraan deel te hebben. Ritueel discours, in Bourdieus zin, houdt de claim van overdracht van betekenis in stand zelfs wanneer de overdracht niet meer plaatsvindt.
Het verschil met manipulatie is essentieel. Bewuste manipulatie veronderstelt dat de spreker weet dat hij iets anders levert dan het woord belooft. Woordcontinuïteit functioneert juist wanneer de spreker dat niet weet. Pierre Bourdieu noemde dit precieze mechanisme méconnaissance. De term is exacter dan ideologie of vals bewustzijn om drie redenen. Ideologie veronderstelt een tegenoverstaande waarheid die wordt verhuld, en die structuur ontbreekt hier; er is geen bewustzijn vóór de vervorming dat vals zou kunnen zijn. Vals bewustzijn impliceert dat iemand wordt bedrogen, en niemand bedriegt; méconnaissance is structureel, niet-intentioneel, en wordt door spreker en toehoorder samen geproduceerd. De bewoner die huis zegt over zijn appartement is mede-auteur van het misverstand dat hem treft, niet omdat hij dom is maar omdat de sociale ruimte waarin hij zich beweegt geen ander woord beschikbaar maakt voor wat hij heeft. Dat maakt het patroon moeilijker te corrigeren dan manipulatie. Er is geen bedrieger om te ontmaskeren, alleen een sociaal weefsel om te herzien. Tegelijk maakt het de paper ethisch interessanter. De oprechte directeur woningbouw die huizen zegt te bouwen, verdient kritiek noch verdediging. Hij verdient blootstelling aan een betere paraphrase. Reeks III Nº 01, De oprechte stem, heeft daarvoor de morele temperatuur al bepaald: de oprechte mensen zijn de krachtigste dragers van systemische inversie, juist door hun oprechtheid.
§ 07 · Diagnostische vragen
Operationele toetsstenen waarmee een lezer het patroon in zijn eigen veld kan herkennen. Materieel, niet abstract. Zes registers, zes vragen.
Temporeel. Wat zou de gebruiker van een halve eeuw geleden onder dit woord verstaan, en welke affordances zou hij verwachten? Een huis uit 1975 had vier of vijf kamers, een tuin, een koopprijs van twee à drie keer een jaarinkomen, gold als eindstation voor een gezin. Heeft het ding nu nog die affordances? Een vijftig vierkante meter studio in een institutionele huurportefeuille tegen twaalf jaar minimuminkomen, niet.
Reflexief. Wanneer ik dit woord uitspreek, draag ik dan de materiële realiteit of dragen de oude associaties mij? Het verschil tussen een spreker die gemeenschap zegt en een buurthuis met activiteiten levert, en een spreker die gemeenschap zegt en daarmee een eenzaamheidscijfer van achttien procent in dezelfde wijk dekt.
Materieel. Welk fysiek, ruimtelijk of relationeel kenmerk werd vroeger door dit woord gedekt en is nu absent? Bij huis: tuin, generationele overdracht, eindstation. Bij biologisch: kleinschaligheid, lokaalheid. Bij flexibel: keuzevrijheid van de werker. Bij participatie: zeggenschap over besluiten. Bij duurzaam: directe ecologische rationaliteit, niet boekhoudkundige hernieuwbaarheid.
Sociaal. Wie heeft er belang bij dat het woord blijft staan, ook als de inhoud is veranderd? Marketing, omdat het verkoopt. Wetgever, omdat het legitimiteit borgt. Professional, omdat het identiteit beschermt. Onderzoeker, omdat het onderzoekstraditie continueert. De vraag wijst niet naar een complot, maar naar een verzameling functionele belangen die samen een weefsel vormen. Dat weefsel is de auteur van de vervorming, niet enige individuele drager.
Patroon-specifiek (juridisch). Welk juridisch of contractueel artikel veronderstelt nog de oude betekenis? Het Bbl-artikel dat een woonfunctie definieert. De WMO-bepaling over gemeenschapsgerichte ondersteuning. De SDE++-criteria voor duurzame energie. Het bestuderen van deze artikelen toont waar de wet de cultuurherinnering nog inroept om een actuele praktijk te legitimeren. Voor woordcontinuïteit is dit de patroon-eigen toets: de wet is de plek waar het oude woord zijn handhaving krijgt.
Taalkundig. Welk korter of preciezer woord zou ik gebruiken als het oude woord verboden was? Dwing een paraphrase af. Nieuwbouw-tweekamerappartement van vijftig vierkante meter voor de vrije huurmarkt in plaats van een nieuw huis. Door de gemeente gefinancierde dagactiviteit voor zelfstandig wonende kwetsbaren in plaats van gemeenschapsvoorziening. Houtige biomassaverbranding gesubsidieerd onder de SDE++ op basis van de aanname van bosherstel over vijftig jaar in plaats van duurzame energie. De afstand tussen oude en nieuwe formulering is een meetlat voor de breuk.
§ 08 · Wat het patroon doorbreekt
Drie niveaus van interventie. Geen daarvan is bedoeld als heroïsche oplossing. Elk werkt op het weefsel waarin de vervorming wordt gedragen.
Institutioneel werkt herziening van wettelijke definities. De EU Empowering Consumers Directive (2024/825) en de in voorbereiding zijnde Green Claims Directive maken vage milieuclaims in de B2C-context juridisch handhaafbaar. ACM heeft sinds 2023 de Leidraad Duurzaamheidsclaims. Albert Heijn moest na zijn toezegging in april 2024 zijn meest duurzame supermarkt terughalen; KLM kreeg op twintig maart 2024 van de rechtbank Amsterdam te horen dat Vlieg verantwoord misleidend was; Booking.com haalde Travel Sustainable offline.³⁷ Dezelfde mechaniek werkt in andere dossiers waar zij wordt geactiveerd. Voor het woord biologisch werkt SKAL-certificering als harde definitie, ook al dekt zij de oude beweging niet meer. Voor flexibel probeerde de Borstlap-aanbeveling met de werknemer, tenzij-benadering en de in voorbereiding zijnde Wet VBAR het juridische kader bij de feitelijke verschuiving te brengen. De WRR-doenvermogentoets, doorvertaald uit Weten is nog geen doen (2017), dwingt wetgevers om de feitelijke uitvoerbaarheid van zelfredzaamheid materieel te toetsen, en is daarmee een impliciete correctie op de woord-werkelijkheid-afstand in participatie.
Materieel werkt de affordance-test. Een woning die niet aan het oude huis-archetype voldoet, kan affordance-gewijs niet doen wat een huis doet. Geen ruimte voor groot meubel, geen tuin voor kinderen, geen technische restauratiemogelijkheid op een tijdshorizon van vijftig jaar. Spatial audits door BPD Woonwensenonderzoek 2023/2024 documenteren systematisch het verschil tussen wat woningzoekenden willen en wat wordt geleverd. Demografische gebruiksanalyse op verhuisfrequentie en gezinssamenstelling levert harde cijfers. Ervaringssignalen door gebruikers in woonwensonderzoeken, klachtenregisters en bewonersorganisaties dragen kwalitatief tegenwicht. In het biomassadossier deed de schoorsteenmeting hetzelfde werk als het juridische argument: de directe CO₂-uitstoot per kWh die hoger ligt dan die van aardgas, is een hard cijfer dat het woord duurzaam niet kan dragen zonder ten koste van zichzelf zichtbaar te worden.
Individueel-professioneel werkt de discipline van het noteren. Voor risicovolle woorden een bredere paraphrase afdwingen. Strategic naming, in de zin waarin Edgar Schein en Michael Watkins het in hun werk over transitieleiderschap hanteren. Niet kiezen voor het beschikbare cultuurwoord, maar voor de term die de huidige werkelijkheid dekt. Praktijken in NSOB-trajecten en ABD-leergangen rond reflexief vakmanschap proberen managers te trainen om in plaats van participatie te zeggen wat zij feitelijk doen: aanspreken, korten, monitoren, faciliteren. Naming and shaming via journalistiek, met FTM, NRC, Volkskrant en het Comité Schone Lucht in het Nederlandse register, heeft in het biomassadossier aantoonbaar bijgedragen aan terugtrekking van Vattenfall uit Diemen. Het belangrijkste individuele instrument is, na Klemperer, het noteren. Filologische precisie in eigen werk, woord voor woord, document voor document. Niemand anders zal het voor de professional doen.
In een interim-opdracht bij een gemeenschappelijke regeling in de jeugdzorg, in een arrangement met negen gemeenten, hebben we ooit een experiment gedaan dat hier op zijn plaats is. Het bestuur sprak in elke vergadering over de cliënt, de gemeenschap, de partner, het netwerk. We hebben gedurende drie maanden afgesproken dat in elk besluitstuk deze woorden moesten worden vervangen door wat zij feitelijk dekten. De cliënt werd de jongere die op een wachtlijst van zes maanden staat voor een door één van de negen gemeenten gefinancierde residentiële plek bij een door de regio gecontracteerde aanbieder. De gemeenschap werd de zorgketen waarvan de samenstelling per kalenderjaar wisselt door de aanbestedingscyclus. Het effect was vooral op het bestuur zelf. Wat eerst klonk als een serie verstandige besluiten over hulpvragen, klonk in de paraphrase als wat het was: een procesmatig manoeuvreren binnen contracten dat het door het oude woord bedoelde inhoudelijke werk niet kon dekken. De besluiten werden niet anders. De gesprekken erover werden anders. Het patroon werd zichtbaar. Daar begon het bewerken.
Borging is in elk van deze interventies de eindtoets. De vraag is niet alleen of de affordance-test wordt uitgevoerd, of de paraphrase wordt afgedwongen, of de wettelijke definitie wordt aangescherpt. De vraag is wat staan blijft wanneer de bestuurder die het experiment startte vertrekt, wanneer de auditcyclus afloopt, wanneer de aandacht voor het woord wegebt. Een eenmalige paraphrase die niet in de werkwijze van een afdeling is verankerd, slijt binnen één personeelswisseling. Een wettelijke definitie zonder handhavingsritme schuift na drie jaar terug naar de oude betekenis. Wat geborgd is, draagt ook in stilte. Dat is de toets die ook in deze paper als laatste blijft staan: een gemeenschap die alleen door het woord gemeenschap nog gemeenschap heet, is geen gemeenschap meer; en een paraphrase die alleen door één spreker nog wordt afgedwongen, is binnen één bestuurstermijn weer verdwenen.
§ 09 · Wat dit verbindt
Reeks I beschreef de gedissocieerde organisatie. Woordcontinuïteit is het taalkundige mechanisme dat institutionele dissociatie sociaal mogelijk maakt. Een organisatie die een mission statement draagt over zorg of gemeenschap terwijl haar feitelijke processen een bedrijfsmatige dienst leveren, presenteert geen leugen aan de buitenwereld. Haar leden ervaren de dissociatie van binnenuit niet als zodanig zolang het oude woord beschikbaar blijft. Het woord werkt als affectieve buffer die het verschil tussen de beleden missie en de geleverde praktijk overbrugt. Dat is precies wat dissociatie functioneel doet: pijn weghouden van de drager.
Reeks II Doorwerking heeft de gevolgen voor burgers in beeld gebracht. De stille onteigening beschreef hoe beleidsstukken eigendomstaal gebruiken terwijl materieel eigenaarschap is geëvacueerd. De gestolde tijdgeest liet zien hoe woorden uit een eerder paradigma blijven staan in een nieuw paradigma. Het verdwijnende weefsel documenteerde dat de woorden voor sociaal weefsel intact blijven terwijl het weefsel zelf is uitgedund. Reeks III Nº 03 levert de filologische diagnose waarom dit verdwijnen onder de radar blijft. Het woord blijft lang nadat het ding is uitgehold. Het draagt zijn affordances mee naar de schijn, niet naar de werkelijkheid.
Reeks III Nº 01, De oprechte stem, heeft de morele temperatuur bepaald. Reeks III Nº 02, De gestolde uitkomst als gemanifesteerde voorkeur, heeft de aanbodzijde achter de oprechtheid blootgelegd. Woordcontinuïteit is precies wat de oprechtheid van de drager mogelijk maakt op het filologische vlak. De oprechte directeur woningbouw kan huizen zeggen omdat het woord beschikbaar is, en de cultuurherinnering aan het woord neemt het werk over dat de huidige inhoud niet meer kan doen. Oprechtheid en vervorming sluiten elkaar in dit patroon niet uit. Zij veronderstellen elkaar. Nº 01 toonde dat hij het meent. Nº 02 toonde dat wat hij voorstelt als consumentenkeuze de neerslag is van een aanbodbeslissing. Nº 03 toont dat het woord waarmee hij die voorkeur benoemt allang niet meer dekt wat de cultuurherinnering nog laat horen.
Reeks III Nº 05, De probleemveroorzaker als oplossingsleverancier, leunt op deze filologische infrastructuur. Wie de oplossing levert voor frictie die hij of zijn keten heeft geproduceerd, kan zijn aanbod alleen geloofwaardig verkopen omdat het oude woord nog werkt. Zorg, advies, transitie, systeem: de cultuurherinnering aan het woord dekt het nieuwe arrangement en houdt de diachrone afhankelijkheid leesbaar als professionele dienstverlening. Woordcontinuïteit is in die zin een voorwaarde voor de respectabiliteit van Nº 05. Wie de filologische diagnose van Nº 03 bij de hand heeft, herkent in Nº 05 sneller welke aanbieder zich aan het oude woord vasthoudt om de breuk in zijn rol onzichtbaar te houden.
Het pamflet The Discriminating Eye (Huibers, april 2026, gepubliceerd op nourishment.houseofviridian.org) loopt parallel aan deze reeks zonder eraan ondergeschikt te zijn. Het levert in kort formaat de leesdiscipline waarvoor deze paper de uitgewerkte filologische onderbouwing biedt. Pamflet en paper functioneren als korte en lange variant van dezelfde noteer-praktijk. Wie het pamflet als checklist gebruikt en deze paper als atlas, heeft beide hulpmiddelen voor hetzelfde werk.
Het komende boek De Richting van de Beweging werkt deze diagnose door op drie modellen. De Strategische Driehoek van Mark Moore vraagt of publieke waarde, operationele capaciteit en politieke legitimiteit in balans zijn. Woordcontinuïteit verbergt routinematig dat zij dat niet zijn. Publieke waarde wordt geclaimd via het oude woord, terwijl operationele capaciteit (de welzijnsorganisatie die gemeenschap moet leveren) en politieke legitimiteit (de kiezer die participatie leest als zeggenschap) niet meer matchen. De veranderkleuren van De Caluwé en Vermaak verklaren waarom monochroom blauw denken de woordcontinuïteit voedt: blauwe planning werkt met termen die beheersbaarheid suggereren (flexibilisering als beheersbaar proces, participatie als activeerbaar gedrag), terwijl de witte kleur, de zelforganiserende werkelijkheid van mensen, in dat woordgebruik geen plek heeft. Borging als toetssteen, het centrale criterium uit hoofdstuk negen van het boek, vraagt wat staan blijft als niemand meer aan de interventie denkt. Een gemeenschap die alleen door het woord gemeenschap nog gemeenschap heet, is geen gemeenschap meer. Wat geborgd is, draagt ook zonder het woord.
§ 10 · Slot
Hannah Arendt, terugkijkend op de banaliteit van Eichmann, schreef dat hoe langer men naar hem luisterde, hoe duidelijker werd dat zijn onvermogen tot spreken nauw verbonden was met zijn onvermogen tot denken vanuit het standpunt van iemand anders.³⁸ Ze bedoelde geen strategische vergelijking met de hedendaagse beleidsstaat. Ze bedoelde een filologische diagnose van een banale, alledaagse vorm van moreel verval. Onze Nederlandse beleidsstaat is geen totalitair apparaat. Wat hij wel heeft geërfd, is precies dat fenomeen op kleinere schaal en zonder kwade bedoeling. Het onvermogen om voor het oude woord een nieuwe paraphrase te vinden, en daarmee om vanuit het standpunt te denken van degenen voor wie het woord iets anders levert dan het belooft.
De directeur woningbouw blijft huizen bouwen tot de minister-president huizen zegt te realiseren tot de wethouder huizen opent tot de bewoner zijn sleutel ontvangt. Daarna woont hij in een appartement van een en vijftig vierkante meter dat hij gehuurd heeft van een institutionele belegger. De afstand tussen die twee uitspraken is wat het werk doet. De vervorming wordt niet gedragen door een leugenaar maar door een hele keten van oprechte sprekers die elkaar vrijwaren door het oude woord intact te houden.
Wie de discriminerende blik in dit patroon wil oefenen, doet dus geen zoektocht naar bedriegers. Hij doet een zoektocht naar woorden, en naar de afstand tot wat zij belooft. Het is de kortste oefening die deze reeks aanbiedt en de moeilijkste om vol te houden. Klemperer hield het twaalf jaar vol, alleen met een dagboek en een potlood. Twaalf jaar is langer dan de meeste interim-opdrachten. Het is precies de tijdshorizon waarop een Nederlandse beleidstaal een woord van zijn ding kan losweken zonder dat iemand het merkt.
Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.
Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.
Voetnoten
Colofon
Over de auteur
Jacob Huibers is interim-manager, auteur en adviseur in de Nederlandse publieke sector, met opdrachten in het sociaal en het fysiek domein, in regionale samenwerkingsverbanden en bestuurlijke herstelopdrachten bij gemeenten van vijftigduizend tot tweehonderdvijftigduizend inwoners. Hij is auteur van De Richting van de Beweging: Interim-Management in de Publieke Sector (manuscript in voorbereiding) en van het corpus Limbic Literacy, Allemaal Ontheemd en Decline and Revival, alle uitgegeven onder House of Viridian.
Over de reeks
Reeks III is de derde Statecraft-reeks van House of Viridian. Zij behandelt vijf vorm-patronen van cognitieve vervorming, gedragen door één meta-patroon en afgesloten door een synthese, die in zachte beleidslagen onzichtbaar blijven maar in harde materialiteit leesbaar worden. De reeks volgt op Reeks I (Gedissocieerde Organisaties, april 2026), waarin het mechanisme van institutionele dissociatie is benoemd, en op Reeks II (Doorwerking, april 2026 tot voorjaar 2027), waarin de gevolgen voor burgers in vijf vormen en twee handtekeningen zijn uitgewerkt. Reeks III leert kijken. Het pamflet The Discriminating Eye (april 2026, nourishment.houseofviridian.org) is parallelle bron.
Plaats in de reeks
Reeks III Nº 01: De oprechte stem — meta-patroon. Reeks III Nº 02: De gestolde uitkomst als gemanifesteerde voorkeur — Patroon 1. Reeks III Nº 03: De woordcontinuïteit die de materiële breuk maskeert — Patroon 2. Reeks III Nº 04: De optimalisatie-asymmetrie — Patroon 3. Reeks III Nº 05: De probleemveroorzaker als oplossingsleverancier — Patroon 4. Reeks III Nº 06: De vorm-laundering — Patroon 5. Reeks III Nº 07: Synthese.
Voetnoten
¹ Giovanni Sartori, “Concept Misformation in Comparative Politics,” American Political Science Review 64, nr. 4 (1970): 1033-1053. Sartori’s ladder of abstraction en zijn definitie van conceptual stretching (de uitbreiding van extensie zonder corresponderende vermindering van intensie) leveren het analytische gereedschap voor het hele werk in deze paper. Zijn waarschuwing was methodologisch en gericht op vergelijkende politicologie; de toepassing op beleidstaal volgt logisch uit zijn redenering maar werd door Sartori zelf niet gemaakt.
² David Collier en James E. Mahon, “Conceptual ‘Stretching’ Revisited: Adapting Categories in Comparative Analysis,” American Political Science Review 87, nr. 4 (1993): 845-855. De aanvulling op Sartori met radial categories en family resemblance categories is voor onze analyse precies wat verklaart waarom een opgerekt begrip zijn aantrekkingskracht behoudt: het centrale prototype blijft semantisch dominant, ook wanneer alleen perifere instanties feitelijk worden geleverd.
³ Victor Klemperer, LTI: Lingua Tertii Imperii. Notizbuch eines Philologen (Berlijn: Aufbau, 1947). Nederlandse vertaling W. Hansen, LTI: De taal van het Derde Rijk (Amsterdam: Atlas, 2000; tweede druk Atlas Contact, 2020). De analyse van fanatisch in hoofdstuk IX en van organisch in hoofdstuk XVII zijn voor onze paper de kern. Klemperers methode, het noteren van wat de woorden zeggen tegenover wat de feiten zijn, is de discipline waarop deze paper zich beroept.
⁴ Klemperer (1947), voorwoord Heroismus. De passage over Worte als winzige Arsendosen is een van de meest geciteerde formuleringen uit de twintigste-eeuwse filologie en heeft in haar context geen retorische maar een methodologische strekking: de filoloog als degene die de gifwerking herkent voordat de samenleving haar voelt.
⁵ Ludwig Wittgenstein, Philosophical Investigations (Oxford: Blackwell, 1953), §§ 43, 65-71. De stelling the meaning of a word is its use in the language en de uitwerking van family resemblance leveren de filosofische rechtvaardiging voor de analytische greep van deze paper. Wittgensteins eigen voorbeelden (spel) zijn structureel identiek aan de beleidsbegrippen die wij hier behandelen.
⁶ Reinhart Koselleck, Vergangene Zukunft. Zur Semantik geschichtlicher Zeiten (Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1979). Het hoofdstuk “Erfahrungsraum” und “Erwartungshorizont” levert het diachrone schema waarin een woord zijn tijdslagen draagt. Een woord uit een eerder paradigma kan blijven werken in een nieuw paradigma omdat het een oude verwachtingshorizon transporteert die zijn huidige drager niet meer kan waarmaken.
⁷ Pierre Bourdieu, Language and Symbolic Power, redactie en inleiding John B. Thompson (Cambridge: Polity Press / Harvard University Press, 1991). De productie van legitiem spraakgebruik door instituties (production et reproduction du langage légitime) verklaart het mechanisme van handhaving zonder samenzwering. Bourdieus markt-metafoor voor taal is voor onze analyse exact bruikbaar omdat zij verklaart waarom marketing, wetgever en wetenschap samen het oude woord in stand houden zonder dat enige actor daartoe expliciet besluit. Voor de notie van méconnaissance die in de paragraaf over het verschil met manipulatie wordt geactiveerd, zie tevens Outline of a Theory of Practice (Cambridge: Cambridge University Press, 1977), p. 191, en Pascalian Meditations (Cambridge: Polity Press, 2000).
⁸ George Orwell, “Politics and the English Language,” Horizon (april 1946). De stelling dat de grote vijand van heldere taal onoprechtheid is, geldt voor onze paper met een belangrijke kwalificatie: het patroon dat hier wordt beschreven werkt juist door oprechte sprekers heen. Onoprechtheid in Orwells zin is de bovenkant van een veel breder ijsbergmechanisme van onbewuste woordcontinuïteit.
⁹ Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorraad woningen; gemiddeld oppervlak; woningtype, bouwjaarklasse, regio, tabel 82550NED, en de CBS-publicatie Steeds meer (en kleinere) appartementen (april 2026), op basis van BAG-data. De gemiddelde gebruiksoppervlakte van een nieuwbouwwoning daalde van 118 vierkante meter in 2021 naar 99 vierkante meter per 1 januari 2026.
¹⁰ CBS, ibid. Verdeling per gemeente: Amsterdam 96 procent appartement, Eindhoven 93 procent, Utrecht 87 procent, Rotterdam 87 procent. In 2025 bijna 40.000 appartementen op een totaal van 69.000 nieuwbouwwoningen. Pijplijncijfer: 73 procent van de vergunde woningen in de pijplijn is appartement, boven- of benedenwoning. De omslag in de verdeling huur-koop dateert van 2023, het eerste jaar sinds de start van de meting in 2012 waarin meer huur- dan koopwoningen werden vergund. Zie CBS, “Minder vergunde nieuwbouwwoningen in 2023,” persbericht 15 februari 2024.
¹¹ Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), in werking 1 januari 2024, art. 4.162-4.164. Voor de wettelijke definities en de specifieke uitzondering voor studentenwoningen via gemeenschappelijk verblijfsgebied: zie Helpdesk Bouwregelgeving, vraag 516, en de Nota van toelichting bij § 4.5.2 Verblijfsgebied en verblijfsruimte.
¹² Capital Value, Woningbeleggingen in beeld (WBIB) - Tijd voor impact, jaarrapport 2024 en jaarrapport 2025, met tabellen over institutionele beleggers in de Nederlandse woningmarkt. Antwoorden op Kamervragen, kenmerk 2026-0000125655, en Capital Value/ABF Research De woning(beleggings)markt in beeld 2025 kwantificeren de daling van het aandeel internationale beleggers van 32 procent (2022) naar 1 procent (2025) en de pensioenfondspijplijn van 12,7 miljard euro voor de komende drie jaar. Naast pensioenfondsen reserveerden particuliere en internationale beleggers samen 6,1 miljard euro. De afgrenzing van institutioneel beleggen in deze cijfers is strikt (pensioenfondsen, verzekeraars en gereguleerde fondsenstructuren); bredere definities die family offices, woningcorporaties of buy-to-let-particulieren meenemen verschuiven de absolute aandelen, niet de richting van de trend.
¹³ Albert O. Hirschman, Exit, Voice, and Loyalty. Responses to Decline in Firms, Organizations, and States (Cambridge MA: Harvard University Press, 1970), met name p. 17 e.v. De toepasbaarheid van het schema op woordkeuze (de bewoner die geen alternatief heeft, mist de structurele grond om een nieuwe paraphrase af te dwingen) volgt logisch uit Hirschmans redenering en sluit aan bij de uitwerking in Reeks III Nº 02, De gestolde uitkomst als gemanifesteerde voorkeur.
¹⁴ Bionext en Skal Biocontrole, “Biologische omzet groeit met 9,6% naar €1,77 miljard (2024),” persbericht 2024. Areaal 91.527 hectare, 5,1 procent van het Nederlandse landbouwareaal.
¹⁵ Bionext, Trendrapport 2023 en CPS GfK 2024-cijfers; FiBL en Bionext voor de internationale vergelijking. Aandeel supermarktomzet biologisch in Nederland 4 procent; Denemarken 12,1 procent, Oostenrijk 9,3 procent.
¹⁶ Autoriteit Consument en Markt, persbericht over Albert Heijn-claims, april 2024 (toezegging zonder formele boete); toelichting op de handhaving in Maverick Advocaten, “ACM intensifies supervision of greenwashing and stricter EU rules on environmental claims and carbon offsetting” (2024). De claims meest duurzame supermarkt en we werken samen met onze telers en boeren aan een duurzamere toekomst werden onvoldoende onderbouwd geacht en ingetrokken.
¹⁷ Richtlijn (EU) 2024/825 (Empowering Consumers for the Green Transition Directive), in werking 26 maart 2024, met implementatieverplichting voor lidstaten uiterlijk 27 maart 2026. Het voorstel voor een aanvullende Green Claims Directive (COM/2023/166) is in 2026 in afrondende behandeling. Voor het Nederlandse handhavingskader: ACM, Leidraad Duurzaamheidsclaims (herziene versie juli 2023). Rechtbank Amsterdam, uitspraak inzake KLM-claims, 20 maart 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1512).
¹⁸ Robert D. Putnam, Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community (New York: Simon & Schuster, 2000). Het onderscheid tussen bonding en bridging social capital is voor onze analyse vruchtbaar omdat het verklaart waarom de welzijnsorganisatie wel bridging kan organiseren (intake, doelgroepafbakening) en geen bonding kan leveren (gebondenheid, wederkerigheid).
¹⁹ Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid (Den Haag: SCP, 2020). Hoofdconclusie: de verwachtingen waren te hoog gespannen, met name over zelfredzaamheid en een zorgzamere samenleving; participatie en deelname van mensen met een beperking zijn niet toegenomen.
²⁰ CBS, “10 procent van de 15-plussers sterk eenzaam in 2024,” Sociale samenhang en welzijn 2024. RIVM, GGD en CBS, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2024, met 46 procent enigszins of sterk eenzaam en 13 procent sterk eenzaam. De divergentie tussen beide instrumenten (CBS Sociale Samenhang versus Gezondheidsmonitor) is methodologisch (afkappunten op de De Jong Gierveld-schaal, leeftijdscategorieën, vraagstelling) en moet bij gebruik worden vermeld; de orde van grootte van het verschijnsel staat los van de definitiekwestie.
²¹ René Bekkers, Secularisering en veranderende motieven voor vrijwilligerswerk (op basis van SCP-data); Knulst en Van Eijck (2002) over vergrijzing van het vrijwilligerswerk; SCP, Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023 en 2024 voor de seculariseringscijfers; CBS, Ontwikkelingen in het verenigingsleven, statistische trends 2025 (gepubliceerd 11 december 2025), en CBS-persbericht Vooral minder mensen met een laag inkomen lid van vereniging (december 2025) voor de daling van verenigingslidmaatschap van 70 procent (2012-2014) naar 62 procent (2023-2024), op basis van het onderzoek Sociale samenhang en welzijn.
²² Sociaal en Cultureel Planbureau, Zicht op de Wmo 2015. Ervaringen van melders, mantelzorgers en gespreksvoerders (Den Haag: SCP, 2017), met name p. 7 e.v. en de tabel over deelname aan de samenleving na het keukentafelgesprek.
²³ Planbureau voor de Leefomgeving, Beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van duurzame biomassa: verslag van een zoektocht naar gedeelde feiten en opvattingen (Den Haag: PBL, 2020). Hoofdstuk 4 voor de SDE++-aansluiting en de koolstofschuld-analyse.
²⁴ Algemene Rekenkamer, Stimulering van duurzame energieproductie (SDE+). Haalbaarheid en betaalbaarheid van beleidsdoelen (Den Haag: Algemene Rekenkamer, 2015). De vaststelling dat draaiende projecten gemiddeld 26 procent minder energie leveren dan op papier, deels door beperkte beschikbaarheid van biomassa.
²⁵ Antwoorden op Kamervragen, Aanhangsel Handelingen II 2020-2021, nr. 2515 over RWE Eemshaven en de bij- en meestook-subsidie. Rijksoverheid, “Tijdelijk geen nieuwe subsidie voor biomassa,” persbericht 9 juni 2021, ter uitvoering van moties Sienot c.s. (Kamerstuk 32 813, nr. 537) en Van Esch (Kamerstuk 30 175, nr. 372). De oorspronkelijke vergunning voor de Diemen-installatie uit 2019 betrof tweehonderdtwaalf kiloton houtpellets per jaar en werd eind augustus 2023 door de Raad van State vernietigd. Vattenfall maakte op 16 oktober 2024 bekend definitief af te zien van de biowarmte-installatie in Diemen. Zie ook Comité Schone Lucht, “Ambtenaren ministerie hielpen heimelijk mee aan nieuwe biomassasubsidie Vattenfall” (2024).
²⁶ CBS-TNO, “Minder flexibele en meer vaste werknemers” (mei 2024); CBS Dossier Flexwerk en Dossier ZZP 2024. 2,7 miljoen werknemers met flexibele arbeidsrelatie, 1,3 miljoen zzp’ers, samen 40 procent van alle werkenden. CBS, “Werkzekerheid van flexwerkers” (2024) voor de werkloosheidskans en de eenzijdige opdrachtgeverafhankelijkheid.
²⁷ Commissie Regulering van Werk (Borstlap), In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk, eindrapport (Den Haag, 23 januari 2020). Het rapport bevat 47 aanbevelingen waaronder de werknemer, tenzij-benadering en de drie contractvormen.
²⁸ Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA), in werking sinds 2016 met handhavingsmoratorium; voorstel Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) in 2025-2026 in behandeling. Voor de sociaalwetenschappelijke counterterm zie Guy Standing, The Precariat. The New Dangerous Class (Londen: Bloomsbury, 2011). Voor de paradiastole-analyse zie Quentin Skinner, From Humanism to Hobbes. Studies in Rhetoric and Politics (Cambridge: Cambridge University Press, 2018), hoofdstuk 5.
²⁹ Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid, WRR-rapport nr. 97 (Den Haag: WRR, 2017). Het centrale begrip doenvermogen uit dit rapport is sinds 2018 doorvertaald in de doenvermogentoets, opgenomen als ex ante-instrument in het Integraal Afwegingskader voor beleid en regelgeving en in opeenvolgende kabinetsbrieven over wetgevingskwaliteit. Doenvermogen is in deze paper dus geen afzonderlijke WRR-publicatie maar de doorwerking van rapport 97 in beleidstoetsing en uitvoering.
³⁰ Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Ongekend onrecht (Den Haag, 2020). Voor de bestuursrechtelijke analyse en de relatie tot zelfredzaamheid: zie het werk van Albert Jan Kruiter (Instituut voor Publieke Waarden), Sadik Harchaoui en Andries Baart over presentie en bestaanszekerheid; Tim ‘S Jongers, Tussen veel en te weinig (2024); Pieter Omtzigt, Een nieuw sociaal contract (Amsterdam: Prometheus, 2021).
³¹ Mark Bovens, geciteerd in WRR-podcast en presentatie bij rapport 97, 24 april 2017, transcripten gepubliceerd op wrr.nl. De observatie dat het beleid te ver was doorgeschoten en te weinig rekening hield met wat gewone mensen aankunnen, is een van de meest citeerbare formuleringen in het Nederlandse bestuurskundige register van de afgelopen tien jaar.
³² Klemperer (1947), hoofdstuk IX Fanatisch. De analyse van de inversie van de evaluatieve lading van het woord en de gereserveerde toepassing van het oude pejoratieve register voor de tegenstander is een filologisch model voor wat in onze paper als woordcontinuïteit met materiële breuk wordt benoemd.
³³ Sherry Turkle, Alone Together. Why We Expect More from Technology and Less from Each Other (New York: Basic Books, 2011); Robert Putnam, Bowling Alone (2000). De onafhankelijke analyse van het woord community in het Engelstalige register loopt parallel met onze WMO-analyse: het woord blijft in stand naarmate de gefuncteerde bonding afneemt.
³⁴ Eric Klinenberg, Palaces for the People: How Social Infrastructure Can Help Fight Inequality, Polarization, and the Decline of Civic Life (New York: Crown, 2018). Klinenbergs concept van social infrastructure levert een materiële tegenproef voor de community-claim die deze paper voor het Nederlandse equivalent maakt.
³⁵ Allyson M. Pollock, NHS plc. The Privatisation of Our Health Care (Londen: Verso, 2004); plus de daaropvolgende sectorinstabiliteit zoals geïllustreerd door de Southern Cross Healthcare-crisis (2011) en de financiële stress bij HC-One en Four Seasons Health Care. Het woord care op de verpakking van portefeuille-instellingen is het Britse equivalent van wat onze paper voor het Nederlandse beleidsdiscours diagnosticeert.
³⁶ Loi n° 2004-228 du 15 mars 2004 (Code de l’éducation, art. L.141-5-1); Circulaire interprétative van 18 mei 2004; Rapport Stasi (Commission de réflexion sur l’application du principe de laïcité dans la République, 2003). Voor de historische ontwikkeling: het Musée de l’histoire de l’immigration en het verzamelwerk over de Loi sur les signes religieux dans les écoles publiques françaises.
³⁷ Maverick Advocaten, “ACM intensifies supervision of greenwashing” (2024); ICTRecht, “Green and compliant: responsible sustainability claims” (2024); Rechtbank Amsterdam, KLM-uitspraak 20 maart 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1512); ACM-mededelingen maart-april 2024 inzake Booking.com en Albert Heijn (toezegging, geen formele boete).
³⁸ Hannah Arendt, Eichmann in Jerusalem. A Report on the Banality of Evil (New York: Viking Press, 1963; herziene editie Penguin, 1964), pp. 48-49. Arendts diagnose van het verband tussen onvermogen tot taal en onvermogen tot perspectiefname is voor de slotbeweging van deze paper de morele anker.