Statecraft

§Reeks IV · Nº 03 · Case · regulatief

De EFSA en de comitologie

De hercertificering van glyfosaat als venster op de comitologie-laag

7 september 2026 · door Jacob Huibers

§01 · Twee stemmingen zonder uitslag

Op 13 oktober 2023 stemden de lidstaten in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders over het voorstel van de Europese Commissie om de goedkeuring van glyfosaat met tien jaar te verlengen. Er kwam geen gekwalificeerde meerderheid, niet voor en niet tegen. Op 16 november stemde het comité van beroep over hetzelfde voorstel. Opnieuw geen meerderheid. Op 28 november stelde de Commissie de verordening vast die de goedkeuring verlengt tot 15 december 2033.1

Het besluit was daarmee genomen, zonder dat een meerderheid van lidstaten ervoor of ertegen was. Het orgaan dat besloot ontleende zijn bevoegdheid aan het uitblijven van een standpunt. Artikel 5 van de comitologieverordening bepaalt dat de Commissie bij het uitblijven van een advies de handeling mag vaststellen.2

Het publieke debat over dit dossier gaat vrijwel uitsluitend over de toxicologie. Dat is een reële vraag en dit paper beantwoordt haar niet. De vraag hier is een andere: welke architectuur heeft dit besluit voortgebracht, welke vragen kan die architectuur beantwoorden, en waar kan de Nederlandse uitvoeringspraktijk iets uitrichten.

De stelling bestaat uit twee delen. Onbeslistheid is in de comitologie een uitkomst: het stelsel zet het ontbreken van een politieke meerderheid om in een handeling met volledige rechtskracht en zonder aanwijsbare beslisser. En de laag waarop het Nederlandse debat is gevoerd, is niet de laag waarop het Nederlandse bestuur kan binden.

§02 · De verwijzingscascade

Het stelsel dat dit besluit voortbracht is uitputtend gedocumenteerd en procedureel navolgbaar. Dat maakt het interessant.

Een consortium van producenten diende in december 2019 een verlengingsaanvraag in bij de beoordelingsgroep glyfosaat: Frankrijk, Hongarije, Nederland en Zweden, gezamenlijk aangewezen als lidstaat-rapporteur.3 Die groep beoordeelde het dossier en leverde in juni 2021 twee stukken op. Een ontwerpbeoordelingsverslag bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. En een voorstel voor geharmoniseerde indeling bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen.

Daar splitst de vraag zich. Het comité voor risicobeoordeling van het chemicaliënagentschap oordeelde op 30 mei 2022 dat indeling als kankerverwekkend niet gerechtvaardigd is.4 De voedselveiligheidsautoriteit voerde vervolgens de collegiale toetsing van de risicobeoordeling uit. Zij nam daarbij de gevarenbeoordeling van het chemicaliëncomité over, zoals haar conclusie uitdrukkelijk vermeldt.5 Die conclusie verscheen op 26 juli 2023: geen kritieke aandachtspunten, wel enkele datalacunes. In dezelfde conclusie staat dat een hoog langetermijnrisico voor zoogdieren is vastgesteld bij twaalf van de 23 representatieve toepassingen, op basis van eerstetrapsaannames, en dat gegevens om die beoordeling te verfijnen ontbraken.6

Daarna gaat het dossier naar de Commissie en naar het permanent comité. Bij het uitblijven van een advies volgt het comité van beroep. Blijft ook daar een advies uit, dan beslist de Commissie.

Op elke schakel is de rolverdeling helder. En op elke schakel wordt de vraag naar het geheel doorgegeven. De rapporterende lidstaten beoordelen het dossier dat de aanvrager samenstelde, volgens de gegevensvereisten die de regelgeving voorschrijft. De voedselveiligheidsautoriteit toetst die beoordeling en neemt de indeling over van het agentschap dat daarvoor bij uitsluiting bevoegd is. Dat agentschap toetst aan de criteria van de indelingsverordening, niet aan de vraag of het stelsel de juiste dingen onderzoekt. De Commissie stelt vast wat wetenschappelijk is geadviseerd en politiek niet is tegengehouden. De lidstaten stemmen, of stemmen niet.

De Nederlandse rechter sluit de cascade. Op 14 oktober 2025 deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven drie uitspraken over toelatingen van middelen op basis van glyfosaat en cypermethrin.7 In twee zaken oordeelde het dat het Ctgb zijn besluit onvoldoende had gemotiveerd: het college reageerde pas ná het besluit op wetenschappelijke studies waarop de eisende organisatie eerder had gewezen. Aan dat gebrek verbond het geen gevolgen. Die studies zijn ingebracht in lopende procedures bij het Gerecht en het Hof van Justitie. Die procedures hadden de Europese goedkeuring niet veranderd. Het college zag daarom geen reden anders te oordelen. Hoger beroep is niet mogelijk.

Een motiveringsgebrek vastgesteld en de toelating in stand gelaten, omdat de laag erboven niet bewoog. De nationale rechter verwijst naar Europa. Het Europese besluit steunt op het wetenschappelijk oordeel. Het oordeel over de indeling ligt bij het agentschap dat het dossier van de aanvrager beoordeelt. En het comité dat het politieke oordeel zou vellen, velde er geen. Niemand deed iets fout. De vraag of het stelsel als geheel de juiste vraag beantwoordde, komt nergens terecht.

Dat is dissociatie en geen fragmentatie. Fragmentatie zou betekenen dat de onderdelen elkaar niet vinden. Hier vinden zij elkaar uitstekend: het dossier gaat zonder wrijving van advies naar besluit, binnen termijnen, volledig gedocumenteerd. Wat naast elkaar bestaat zonder correctie zijn twee kennisregisters in dezelfde stukken. Het eerste zegt dat de stof is beoordeeld. Het tweede noemt de vragen die niet zijn beantwoord. Het eerste register bepaalt de rechtsgevolgen. Het tweede staat er alleen.

§03 · De richtsnoergrens

De scherpste onderbouwing hiervan staat in de conclusie van de voedselveiligheidsautoriteit zelf.

In diezelfde conclusie van 26 juli 2023 staan drie vaststellingen bij elkaar. Er was onvoldoende informatie voor een stellige conclusie over de gevolgen voor de biodiversiteit via indirecte effecten en trofische interacties. De deskundigen erkenden dat geharmoniseerde methodieken en overeengekomen beschermdoelen ontbreken. En over het microbioom: er zijn geen internationaal overeengekomen richtsnoeren voor de risicobeoordeling daarvan in dit domein, en er is verder onderzoek nodig om methodieken te ontwikkelen.8

Dat is de richtsnoergrens, opgeschreven door de instantie die haar ondervindt, in het stuk waarop het besluit steunde. Het toelatingsstelsel beoordeelt geen stof maar een dossier. De inhoud van dat dossier volgt uit de gegevensvereisten en richtsnoeren die op dat moment gelden. Dat ontwerp is verdedigbaar en zelfs nodig: zonder gestandaardiseerde beproevingsvoorschriften bestaat er geen vergelijkbaarheid en geen rechtszekerheid. Het probleem zit in wat er met de grens gebeurt zodra het resultaat wordt samengevat.

Wetenschappelijk betekent het ontbreken van een beproevingsvoorschrift dat een vraag niet is onderzocht. Bestuurlijk betekent het dat er geen aandachtspunt is vastgesteld. Die twee zinnen worden routinematig als synoniem behandeld. De formulering geen kritieke aandachtspunten geconstateerd is volstrekt correct en volstrekt misleidend, in dezelfde adem. Niemand misleidt. Het volledige stuk bevat beide registers. De samenvatting bevat er één.

Hoe die grens werkt, laat één Nederlandse casus zien die niets met kanker te maken heeft. Op 19 december 2019 nam het Ctgb zijn eerste twee besluiten in de herbeoordelingsronde na de Europese goedkeuring van 2017. De verlenging van het middel Kyleo werd geweigerd: voor geen enkele aangevraagde toepassing viel een acceptabel risico voor waterorganismen aan te tonen. Van het middel Etna Next verviel het grootste deel van de toepassingen, omdat gegevens ontbraken over niet-doelwitgeleedpotigen. In beide gevallen kwam de aanscherping voort uit strengere richtsnoeren die inmiddels golden. Bij de vorige beoordeling bestond nog geen richtsnoer voor effecten op niet-doelwitgeleedpotigen.9

Het risico bestond toen al. Het middel was hetzelfde, het gebruik was hetzelfde, de geleedpotigen waren dezelfde. Wat ontbrak was het instrument om de vraag te stellen. En zolang dat instrument ontbrak, verscheen het risico in de uitkomst niet als onbekend, maar helemaal niet.

De scherpste Nederlandse instantie van deze grens is een keuze binnen een bestaand richtsnoer. Zij kwam pas in 2025 in het openbaar te liggen. Bij de statistische toetsing van carcinogeniteitsstudies kan eenzijdig of tweezijdig worden getoetst. Een tweezijdige toets weegt afwijkingen in beide richtingen en vraagt daardoor ongeveer tweemaal zoveel tumoren voordat een verband significant heet. Het effect van een bestrijdingsmiddel kan maar één kant op gaan. Op 7 februari 2025 kwamen op initiatief van de minister het Ctgb en een panel kritische deskundigen bijeen, met het RIVM erbij. In mei 2025 berichtte de minister de Kamer dat eenzijdig toetsen voortaan het uitgangspunt moet zijn, en dat oude studies met tweezijdige toetsing alsnog kunnen worden heranalyseerd. Het Ctgb wil de Europese richtsnoeren aanscherpen en ziet geen reden eerdere beoordelingen te herzien. De onderzoekers die de heranalyse bepleiten wijzen erop dat daarvoor geen nieuw onderzoek nodig is, alleen rekencapaciteit.10

Op 9 september 2025 nam de Tweede Kamer met brede meerderheid een motie aan die de regering verzoekt glyfosaat alsnog eenzijdig te toetsen op kankerrisico. Dezelfde dag verwierp zij de motie die om een verbod vroeg.11

Hier ligt de grens in de vorm van het antwoord. De uitkomst van de beoordeling hing af van een conventie die binnen het stelsel is gekozen. Het college dat die conventie toepaste, bepleit haar nu internationaal in omgekeerde vorm. Dit paper oordeelt niet over de statistiek; dat is werk voor statistici. Het punt is de gelijktijdigheid: de conventie deugt niet voor de toekomst, en uit dat oordeel volgt niets voor wat op grond ervan al is besloten. Beide staan ongecorrigeerd in één stuk.

De divergentie tussen het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek en de Europese instanties is met deze grens beter te begrijpen dan met het frame van botsende wetenschap. Het agentschap classificeerde glyfosaat in maart 2015 als waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens.12 Dat is een gevarenbeoordeling: kan een stof onder enige omstandigheid kanker veroorzaken. De Europese instanties beoordelen daarnaast het risico bij de blootstelling die zich feitelijk voordoet. Verschillende antwoorden op verschillende vragen zijn geen tegenspraak.

Het tweede verschil gaat over toegang tot gegevens en is in beide richtingen ongemakkelijk. Het kankeronderzoeksagentschap beoordeelt gepubliceerde literatuur en gebruikte voor de niet-gepubliceerde industriestudies secundaire bronnen. De Europese instanties beschikken wel over de oorspronkelijke studierapporten. Zij hadden dus méér materiaal. En een aanzienlijk deel daarvan is geproduceerd door of in opdracht van de partij wier product wordt beoordeeld, volgens voorschriften die tot stand komen in gremia waarin diezelfde industrie een substantiële positie inneemt.13

Wie daaruit concludeert dat de Europese beoordeling is gekocht, gaat te ver. Wie concludeert dat zij daarom beter is, gaat even ver de andere kant op. Wat overeind blijft is smaller en zwaarder. De partij die het dossier levert, heeft via de richtsnoeren invloed op welke vragen in dat dossier worden beantwoord. En er is geen instantie wier taak het is de richtsnoeren te toetsen aan de vragen die de samenleving stelt, in plaats van aan de vragen die de regelgeving stelt. Die functie bestaat op papier. Niemand oefent haar uit.

Precies daar liep de Nederlandse discussie in oktober 2023 vast. Het Ctgb-advies van 6 oktober stelde dat glyfosaat geen neurotoxische effecten liet zien en dat er geen zorg is ten aanzien van de ziekte van Parkinson. In hetzelfde advies staat dat specifieke studieprotocollen om neurodegeneratieve effecten van chemische stoffen vast te stellen nog niet beschikbaar zijn.14 Beide zinnen zijn waar. Samen vormen zij de grens in één document: er is geen zorg vastgesteld, en er is geen instrument om de zorg vast te stellen. In het debat werd de eerste zin geciteerd als wetenschappelijke grond voor een positief oordeel, en de tweede als reden om het toetsingskader te verbeteren. De spanning ertussen kwam niet aan de orde.

§04 · Onbeslistheid als uitkomst

De comitologie is de minst zichtbare bestuurslaag van de Unie en in volume de grootste. In 2024 waren er 368 comités. Zij hielden 692 vergaderingen, voerden 1.211 schriftelijke procedures uit en brachten 2.129 adviezen uit. Dat leidde tot 1.938 uitvoeringshandelingen.15 Dit is de hoeveelheid Europees recht die jaarlijks tot stand komt zonder wetgever, en die de Nederlandse uitvoeringsstaat vervolgens realiseert.

Het overgrote deel van die adviezen is positief. Dat is geen verrassing: het gaat meestal om technische uitvoering waarover geen strijd bestaat. De uitzonderingen zijn interessant, en daarover is de eigen rapportage van de Commissie welsprekend. In 2023 werd 31 keer geen advies uitgebracht en één keer een negatief advies, waarna de Commissie het ontwerp introk.16

De cijfers over het comité van beroep zijn scherper. Dat comité moet de patstelling doorbreken als het gewone comité er niet uitkomt. In 2023 kwam het tien keer bijeen en behandelde het 22 ontwerphandelingen. In alle 22 gevallen bracht het geen advies uit. De Commissie stelde alle 22 handelingen vast.17

Alle 22. Het orgaan dat onbeslistheid moet oplossen, besliste dat jaar niets, en dat stond de vaststelling nergens in de weg. En 2023 is geen uitschieter: in 2024 kwam het comité vijf keer bijeen, behandelde het elf ontwerphandelingen, bracht het elf keer geen advies uit en stelde de Commissie alle elf vast. Het comité van beroep werkt daarmee als de procedurele stap die de Commissie het recht geeft zelf vast te stellen. De Commissie doet wat de verordening voorschrijft, en de lidstaten hebben elk hun redenen om niet te kiezen. Het ontwerp beloont niet-kiezen.

Daaronder ligt een rekenkunde. Een gekwalificeerde meerderheid wordt berekend over alle lidstaten, niet over de uitgebrachte stemmen. Een onthouding is dus niet neutraal. Zij verkleint de kans op een meerderheid vóór én tegen, en vergroot daarmee de kans op de uitkomst geen advies. Bij een voorstel tot hernieuwing werkt een onthouding in het voordeel van de hernieuwing. Dat is de motivering van het voorstel dat de Commissie in 2017 zelf deed om de stemregels te wijzigen, zodat alleen stemmen vóór en tegen zouden meetellen. Dat zou volgens de toelichting het gebruik van onthoudingen verminderen en het aantal situaties terugbrengen waarin zij zonder duidelijk mandaat moet handelen.18

Dat voorstel is er niet gekomen. Op 11 februari 2025 kondigde de Commissie in haar werkprogramma de intrekking aan, omdat er geen overeenstemming in het verschiet lag; in oktober 2025 werd zij bekendgemaakt.19 Acht jaar, twee Commissies en een standpunt van het Parlement verder. De hervorming die precies het mechanisme adresseerde dat het glyfosaatbesluit mogelijk maakte, is gestrand en vervolgens opgeruimd.

Wat wél is doorgevoerd zit in het blauwe en groene kwadrant. Het comitologieregister is toegankelijker geworden en de Commissie publiceert ontwerphandelingen voor publieke inbreng, 108 stuks in 2024.20 Meer transparantie over een besluitvormingsvorm waarin het ontbreken van een besluit tot een besluit leidt, verandert de uitkomst niet. Zij maakt haar zichtbaarder. Dat is winst in het register van waarnemen.

§05 · Het Nederlandse traject

Nederland was hier medebeoordelaar. Dat is een positie met gewicht en met een prijs. Wie het dossier heeft beoordeeld, kan de uitkomst moeilijk publiekelijk betwisten zonder de eigen beoordeling te betwisten.

De uitvoerende schakel is het Ctgb, een zelfstandig bestuursorgaan dat zijn kosten moet dekken uit tarieven. Aanvragers betalen voor de beoordeling. Zodra een middel is toegelaten, betaalt de houder een jaarlijkse vergoeding. Het college noemt die vergoeding zelf zijn basisinkomen.21 De tarieven zijn wettelijk verankerd en onafhankelijk van de uitkomst van een beoordeling. Een afwijzing kost de aanvrager evenveel als een toelating, en het college heeft in dit dossier aantoonbaar afgewezen. De afhankelijkheid zit niet op dossierniveau maar op portefeuilleniveau: het basisinkomen bestaat uit de vergoedingen voor middelen die toegelaten blijven. Dat is een legitieme, wettelijk voorgeschreven constructie. Juist daarom is het geen belangenconflict in de klassieke zin, en bijten de instrumenten daartegen er niet op.

Het politieke traject is uit de openbare stukken volledig te reconstrueren. De Tweede Kamer nam op 7 september 2023 een motie aan die de regering verzocht tegen de hernieuwing te stemmen. Het Ctgb adviseerde op 6 oktober dat de minister op wetenschappelijke gronden positief kon oordelen. Op 10 oktober zond de minister zijn standpunt aan de Kamer.22

Die brief verdient nauwkeurige lezing. Zij bevat het hele patroon, in de woorden van de bewindspersoon zelf.

Zij bevat het samenvattende register. Uit de bevindingen van de voedselveiligheidsautoriteit, gebaseerd op 2.400 studies waarvan circa 800 uit onafhankelijke literatuur, blijkt volgens de brief dat er geen kritieke zorgpunten zijn, dat glyfosaat niet als kankerverwekkend of hormoonverstorend wordt geclassificeerd, en dat er geen onaanvaardbare risico’s voor mensen zijn geconstateerd, ook niet op neurotoxisch gebied.

Zij bevat het tweede register in dezelfde alinea’s. De brief noemt drie open punten in de Europese conclusie, merkt op dat dit gangbaar is, en stelt dat die punten op lidstaatniveau moeten worden afgedekt bij de toelating van middelen, door extra geëiste gegevens of aanvullende restricties.

En zij bevat de richtsnoergrens, expliciet. Bij de onthouding zou namens Nederland een stemverklaring worden uitgebracht met drie punten. Ten eerste dat de voedselveiligheidsautoriteit met urgentie een toetsingskader voor neurodegeneratieve ziekten ontwikkelt. Ten tweede steun voor een toetsingskader voor indirecte gevolgen voor de biodiversiteit, voor alle stoffen. Ten derde een expliciete bevestiging van de Commissie dat de goedkeuring wordt ingetrokken zodra onderzoek uitwijst dat glyfosaat niet veilig is.

Lees die eerste twee punten naast de conclusie waarop het besluit steunde. De minister aanvaardt een beoordeling als voldoende grondslag en vraagt in dezelfde brief om de twee toetsingskaders waarvan de beoordelaar zelf had vastgesteld dat zij ontbreken. Geen van beide uitspraken is onwaar. Zij staan naast elkaar in één stuk, bij één ondertekenaar, zonder dat de spanning tot correctie leidt. Dit is het scherpste primaire bewijs dat dit dossier oplevert, en het staat in een gepubliceerd Kamerstuk.

De brief bevat ten slotte de comitologie-rekenkunde. Onder het kopje Tot slot zet de minister het mechanisme uiteen. Bij het ontbreken van een gekwalificeerde meerderheid treedt de no opinion op en volgt het beroepscomité. Blijft ook daar een meerderheid uit, dan mag de Commissie zelfstandig beslissen. Stemt een gekwalificeerde meerderheid tégen, dan loopt de goedkeuring na twaalf tot achttien maanden af. Het mechanisme stond dus zwart op wit in de brief waarin de onthouding werd aangekondigd. Wat er niet in staat, en wat in het debat evenmin is uitgesproken, is de gevolgtrekking. De onthouding sluit de enige uitkomst uit waarbij de goedkeuring afloopt, en vergroot de kans op de uitkomst waarbij de Commissie zelf vaststelt. De informatie was aanwezig. De conclusie is niet getrokken.

Over de latere onthullingen past terughoudendheid. Zij zijn zwakker onderbouwd en de analyse steunt er niet op. Zembla berichtte in april 2024, op basis van Woo-documenten, dat de minister van LNV aanvankelijk tegen wilde stemmen, dat hij in de ministerraad tegenover de minister van Infrastructuur en Waterstaat kwam te staan, en dat deze precedentwerking vreesde wanneer het Ctgb-advies niet zou worden gevolgd.23 Die berichtgeving is als Kamervragen voorgelegd en op 13 mei 2024 beantwoord. De minister van Infrastructuur en Waterstaat bevestigde dat in de ministerraad over de hernieuwing is gesproken en dat daar verschillende invalshoeken zijn uitgewisseld.24 De specifieke toeschrijvingen zijn dus noch bevestigd noch weersproken. De onderliggende stukken zijn voor dit paper niet ingezien; zij staan op een portaal dat geautomatiseerde raadpleging uitsluit.

Dat is minder dan de berichtgeving suggereert, en het volstaat, omdat de doctrine vervolgens op eigen naam is uitgesproken. In hetzelfde antwoord stelt de minister dat het een vaste lijn is van Nederland om zich te baseren op de adviezen van de daartoe aangestelde wetenschappelijke instituten, en dat het Commissiebesluit daarmee voldoende is onderbouwd. En hij generaliseert die lijn zelf. Beoordeling op basis van adviezen van daartoe ingestelde instituten is het uitgangspunt van de geharmoniseerde Europese stoffenregelgeving, niet alleen voor gewasbeschermingsmiddelen maar ook voor biociden, medicijnen, voedselcontactmaterialen en het generieke stoffenbeleid.25

Die laatste zin reikt verder dan dit dossier. De bewindspersoon benoemt hier zelf dat het om dezelfde constructie gaat over vier stoffendomeinen heen.

Twee dingen horen daarbij vermeld, omdat intentietaal die de stukken niet onderbouwen hier niet thuishoort. De minister verklaarde in dezelfde antwoorden dat hij in de betrokken periode uitsluitend met collega-bewindspersonen heeft gesproken, en niet met externe bedrijven of organisaties. Er is dus geen aanwijzing voor externe beïnvloeding, en deze analyse heeft die ook niet nodig. Netwerkcorruptie in de zin van Slingerland veronderstelt geen lobbygesprek, maar een architectuur waarin de uitkomst vastligt zonder dat iemand haar hoeft te bepleiten.

En op het punt van het RIVM is voorzichtigheid geboden. De vraag of dat instituut de Ctgb-conclusie over Parkinson niet logisch heeft genoemd, is als zodanig gesteld en niet als zodanig beantwoord. Het antwoord luidt dat er associaties zijn aangetroffen, dat er geen bewijs is van een causaal verband, en dat het RIVM dat onderschrijft.26 De aan het instituut toegeschreven kwalificatie berust dus op de journalistieke publicatie.

De onthouding die uit dit alles volgde, is precies wat zij pretendeerde te zijn: het weigeren van een keuze tussen twee principes. De motie, schrijft de minister, vertegenwoordigt de zorgen en weegt zwaar; juist daarom zou een stem vóór of tegen geen recht doen aan het genuanceerde standpunt. Een motie die opdroeg tegen te stemmen, is uitgevoerd door zich te onthouden. En de bewindspersoon die zich onthield, had in dezelfde brief opgeschreven dat een tegenstem de enige route naar het aflopen van de goedkeuring was.

§06 · De laag waar het wel kan

Tot hier leest dit als een beschrijving van onvermogen. Dat is een onvolledige lezing.

Naast de Europese goedkeuring van de stof kent het stelsel twee nationale lagen: de toelating van het middel en de regulering van het gebruik. Op beide heeft Nederland gedaan wat het op de eerste laag niet kon. De Kamerbrief van 10 oktober 2023 legt zelf vast dat de open punten op lidstaatniveau moeten worden afgedekt, dat het Ctgb daaraan uitvoering geeft, en dat bij nieuwe inzichten de Nederlandse toelatingen per direct worden ingetrokken.

Op de laag van de middeltoelating weigert het college. De besluiten van december 2019 bewijzen dat, en zij staan niet alleen. Toen twee organisaties in 2022 bezwaar maakten tegen de verlenging van tien glyfosaathoudende middelen, was de toelating van vijf ervan ten tijde van het beroep al ingetrokken.27 De brancheorganisatie noemde de besluiten van 2019 destijds een onaangename verrassing: de Europese goedkeuring rechtvaardigde volgens haar de verwachting dat de nationale beoordeling geen problemen zou opleveren.28 Die verwachting was onjuist. Op middelniveau moet voor elk risicogebied afzonderlijk een acceptabel risico worden aangetoond. Lukt dat niet, dan volgt geen toelating.

Op de laag van de gebruiksregulering ligt het scherpste Nederlandse voorbeeld, en het raakt gemeenten direct. Sinds 31 maart 2016 is professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op verhardingen verboden, sinds 1 november 2017 ook op alle overige oppervlakken buiten de landbouw, met enkele uitzonderingen.29 Dat verbod raakt gemeenten rechtstreeks als terreinbeheerder. Het is de reden dat het onkruid op de Nederlandse stoep sinds tien jaar mechanisch, thermisch of helemaal niet wordt bestreden.

De brancheorganisaties vochten het aan. De rechtbank wees hun vordering af. Het gerechtshof Den Haag oordeelde op 24 november 2020 dat het verbod een wettelijke grondslag ontbeerde en onverbindend was. De Hoge Raad vernietigde dat arrest op 8 juli 2022 en verwees de zaak.30 Het verbod bleef gelden.

En hier houdt het bewijs op, eerder dan comfortabel is.

De vraag of het verbod heeft gewerkt is één keer serieus onderzocht. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gaf opdracht tot een analyse van meetgegevens; het rapport dateert van 26 oktober 2018. In de inleiding staat waarom het er is: om inzicht te krijgen in de effectiviteit van het besluit, en ter voorbereiding van de zitting bij de rechtbank Den Haag van 28 november 2018 in de procedure tegen de Staat.31 Het bewijs voor de werking van de maatregel is dus geproduceerd omdat de maatregel werd aangevochten.

De uitkomst is smaller dan zij in de navertelling is geworden. Onderzocht zijn vier effectvariabelen op drie groepen meetpunten: twee grensmeetpunten, acht drinkwaterinnamepunten en 30 landbouwmeetpunten, samen circa 3.000 metingen over 2010 tot en met juni 2018. Van die vier variabelen laat er één een significant verschil zien: de maximale normoverschrijdende concentratie daalt op de drinkwaterinnamepunten sterker dan op de andere groepen. Op de drie andere variabelen zijn geen significante verschillen gevonden. In de detailanalyse is 2018 significant lager dan 2016, maar niet verschillend van de jaren 2010 tot en met 2015 en 2017. En 2016 lag zelf significant hoger dan de jaren daarvoor, waarvoor de onderzoekers een opgebruikeffect als verklaring noemen. Het afbraakproduct AMPA kon niet worden meegenomen. De onderzoekers besluiten dat door de korte meetperiode nog niet is te duiden of er een doorzettende trend is, en bevelen aan langer door te meten.32

Dat is minder dan de vaststelling dat het verbod de waterkwaliteit heeft verbeterd. Wat resteert is een significant verschil op één van vier variabelen ten opzichte van meetpunten die niet onder het verbod vielen, gemeten tegen een uitschieterjaar, met de aanbeveling langer te meten.

Waarom het bewijs zo smal is, staat in hetzelfde rapport en is de eigenlijke bevinding. Van de glyfosaatbelasting in het Nederlandse deel van het Maasstroomgebied kwam in 2010 ruim 98 procent uit regenwaterriolen, overstorten en effluenten van rioolwaterzuiveringen. Het effect van het verbod zou dus het best meetbaar zijn in stedelijk water en in effluent. En daar constateren de onderzoekers dat geen landelijk meetnet voor bestrijdingsmiddelen in stedelijk oppervlaktewater en effluent operationeel is. In de landelijke database voor puntbronnen vonden zij 191 metingen van glyfosaat over circa 400 zuiveringen, met de meest recente cijfers uit 2014. Bij de gemeente die als praktijkcasus was aangedragen omdat zij al chemievrij werkte, had het waterschap in die periode niets gemeten, mede omdat glyfosaatanalyse kostbaar is.33

De maatregel is dus genomen op de plek waar het effect zou moeten ontstaan, en het meetnet dat dat effect zou registreren bestaat niet. Wat het stelsel niet meet, kan het niet aantonen. Wat het niet kan aantonen, kan het niet verdedigen zodra het wordt aangevochten. Het verbod is inderdaad aangevochten en heeft bijna twee jaar buiten werking gestaan.

De leemte heeft inmiddels een adres, en de weg daarheen is opnieuw diagnostisch. Op 19 december 2024 nam de Kamer twee moties aan van hetzelfde lid. De eerste vraagt de regering te komen met monitoring voor gewasbeschermingsmiddelen, zodat beleid op feiten berust. De tweede vraagt te onderzoeken wat de bron is van de 93 procent glyfosaat die volgens cijfers van het CBS in de riool- en waterzuivering terechtkomt.34 De aanleiding was het bezwaar dat de landbouw ten onrechte als bron wordt aangewezen. Zes jaar nadat het rapport vaststelde dat het meetnet ontbreekt, komt de opdracht om te meten binnen via een sector die aannemelijk wil maken dat zij het niet is.

In een interim-opdracht in het fysieke domein van een gemeente van ruim 80.000 inwoners heb ik het gesprek over deze overgang meermalen bijgewoond. Het ging over borstelmachines en heetwaterinstallaties, over het haalbare beeldkwaliteitsniveau, en over bewoners die vonden dat het er onverzorgd bij lag. Het ging geen enkele keer over de vraag waar deze norm vandaan kwam of welk effect ermee werd nagestreefd. Dat is niet verwijtbaar en niet uitzonderlijk. Wat ik toen niet wist en nu weet, is dat het argument dat in die vergadering had geholpen ook niet beschikbaar was. Er was geen meetreeks om naar te wijzen, omdat niemand er een had aangelegd.

§07 · De borgingstoets

Borging is de primaire toets: wat staat er nog wanneer niemand meer kijkt. Zes bewegingen zijn te toetsen, en zij vallen niet dezelfde kant op.

De eerste is de aangekondigde beperking van glyfosaat op grasland, groenbemesters en vanggewassen. Zij vloeide voort uit een aangenomen motie en zou per 2025 gelden. De gekozen route werd een wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, die een grondslag creëert om bij ministeriële regeling alternatieven te verplichten.35 In mei 2025 antwoordde de opvolgende minister dat een verbod voor vanggewassen juridisch niet mogelijk is, dat aan regelgeving wordt gewerkt en dat de maatregel is uitgesteld.36 De motie heeft een grondslag opgeleverd en geen norm. Een bevoegdheid die niemand uitoefent, verschilt in de praktijk niet van een bevoegdheid die niet bestaat.

De tweede is het onderzoek naar het verband tussen gewasbeschermingsmiddelen en Parkinson. De Kamerbrief van oktober 2023 kondigde aan dat het RIVM opdracht krijgt tot onderzoek dat over drie tot vijf jaar gegevens oplevert, met het verzoek de voedselveiligheidsautoriteit en het Ctgb bij de opzet te betrekken zodat de uitkomsten in het Europese stelsel bruikbaar zijn. Dat is de juiste reflex en zij is in de opdracht vastgelegd.37 De resterende vraag is of het onderzoek landt in een aangepast Europees gegevensvereiste. Alleen dan verandert wat het stelsel kan zien.

De derde is de bouw van de ontbrekende richtsnoeren, en hier is de keten voor het eerst zichtbaar. De Nederlandse stemverklaring vroeg om twee toetsingskaders. De voedselveiligheidsautoriteit ontving in 2024 twee mandaten: herziening van het richtsnoer terrestrische ecotoxicologie, en ontwikkeling van een richtsnoer voor indirecte effecten op biodiversiteit via trofische interacties.38 Het tweede verzoek is dus opgepakt. Voor het eerste is geen afzonderlijk mandaat vastgesteld. De timing is diagnostisch: het instrument wordt gebouwd nadat het besluit is genomen, en voor tien jaar.

De vierde is de heropening van de indelingsvraag, waarin de cascade nog één keer in werking treedt. Op 10 juni 2025 verscheen een langetermijnstudie van het Ramazzini-instituut over carcinogene effecten bij ratten. De minister vroeg het Ctgb om een appreciatie. Het college concludeerde op 26 juni dat het artikel niet tot de conclusie leidt dat glyfosaat kankerverwekkend is. Het tekende aan dat dit oordeel voorlopig is, omdat het alleen de publicatie heeft en niet de onderliggende data. En het stelde dat goedkeuring en classificatie een Europese aangelegenheid zijn, zodat de Commissie de Europese instanties zou moeten vragen de ruwe data op te vragen. De minister nam die conclusies over en trof geen maatregelen.39 Een nationaal college beoordeelt een studie, kan haar niet volledig beoordelen omdat het de gegevens mist, verwijst voor het opvragen naar Europa, en de bewindspersoon baseert zich op dat nationale oordeel om niets te doen.

Europa heeft die stap vervolgens wel gezet. De Commissie heeft het chemicaliënagentschap op grond van artikel 77 van de REACH-verordening verzocht de gegevens te laten beoordelen tegen de indelingscriteria. Het comité besprak de studie in juni 2026; de termijn voor het advies is 1 januari 2027 en op dit moment is het er niet.40 Komt het comité alsnog tot indeling in categorie 1B, dan voldoet de stof niet meer aan de goedkeuringscriteria.

De correctie komt dus binnen door de juridische zijdeur, omdat de inhoudelijke voordeur in het ontwerp niet bestaat. Zij komt laat, ongericht en afhankelijk van toeval. Dat het stelsel af en toe wordt gecorrigeerd, is geen bewijs dat het corrigeert.

De vijfde beweging komt van de rechter. Op 19 november 2025 deed het Gerecht uitspraak in drie zaken over de praktijk van herhaalde tijdelijke verlenging van goedkeuringstermijnen. Vernietigd zijn de besluiten van de Commissie tot afwijzing van verzoeken om interne herziening. De kern: de Commissie mag artikel 17 niet automatisch toepassen en moet alle oorzaken van vertraging onderzoeken, ook die aan de aanvrager zijn toe te rekenen.41 De borgingstoets valt hard uit. Op het moment van uitspreken was glyfosaat al hernieuwd. Begin 2026 had de Commissie noch een nieuw besluit genomen, noch het verlengingsbesluit gewijzigd.42 De correctie bestaat als norm voor de toekomst en heeft aan de zaak zelf niets veranderd.

En dan is er de beweging die de vijf voorgaande overbodig dreigt te maken. Op 16 december 2025 publiceerde de Commissie het Omnibusvoorstel voor vereenvoudiging van de voedsel- en voederveiligheid, dat tien wetgevingshandelingen wijzigt waaronder de gewasbeschermingsverordening. Het vervangt de stelselmatige, in de tijd begrensde hernieuwing voor het merendeel van de werkzame stoffen door goedkeuringen zonder tijdslimiet, met herbeoordeling op signaal. Een formele effectbeoordeling achtte de Commissie niet nodig.43

Leg dat naast dit dossier. De hernieuwing van glyfosaat duurde vier jaar, vergde toetsing van 2.400 studies, doorliep een parallelle indelingsprocedure, leverde twee stemmingen zonder uitslag op en lokte drie rechterlijke procedures uit. In de logica van het voorstel is dat de last die moet worden weggenomen. De periodieke herbeoordeling is precies het moment waarop een stof opnieuw ter discussie komt, en dat moment verdwijnt in de meeste gevallen.

De behandeling loopt, en zij loopt vast. De Raad bepaalde op 27 mei 2026 een standpunt dat juist niet over de goedkeuringsduur gaat: het mandaat ziet op de richtlijn duurzaam gebruik en laat de bepalingen over werkzame stoffen buiten beschouwing. Het voorzitterschap legde in juni wel een compromistekst voor die goedkeuring zonder tijdslimiet beperkt tot laagrisicostoffen, maar in diezelfde tekst loopt de hernieuwingstermijn voor conventionele stoffen op tot vijfentwintig jaar. Die tekst kreeg de lidstaten op 12 juni niet mee, en ook eind juni volgde geen akkoord. In het Europees Parlement behandelen de commissies milieu en landbouw het voorstel gezamenlijk; de commissiestemming staat voor 5 oktober 2026 op de rol.44

Dat is instructief, maar anders dan het op het eerste gezicht lijkt. De tegenkracht is hier het uitblijven van een oordeel: tot dusver heeft geen enkele tekst een meerderheid gevonden. En precies daarin ligt het verschil met de laag waarover dit paper gaat. In de gewone wetgevingsprocedure betekent het ontbreken van een meerderheid dat er geen handeling komt. In de comitologie betekent het dat de handeling er komt. Hetzelfde gebrek aan overeenstemming werkt in de twee lagen tegengesteld uit, en alleen in de tweede laag levert het een besluit op waarvoor niemand hoefde te kiezen.

Blijft staan dat op de regulatieve as binnen twaalf maanden tweemaal dezelfde beweging is gemaakt. Het geneesmiddelenpakket maakt handelsvergunningen onder de centrale procedure in beginsel onbeperkt geldig. Het gewasbeschermingsvoorstel doet hetzelfde met werkzame stoffen. Twee dossiers, twee agentschappen, één richting: het periodieke moment waarop de vraag terugkomt, wordt vervangen door een herbeoordeling die alleen plaatsvindt als iemand daar aanleiding toe ziet. Wie dat deregulering noemt, maakt er een politiek oordeel van. Het bestuurlijke oordeel is smaller: een correctiemechanisme dat afhangt van een discretionaire aanleiding, corrigeert alleen als iemand dat wil.

§08 · Handelingsperspectief

Voor de gemeentesecretaris, de concerndirecteur fysiek domein en de directie van een omgevingsdienst of gemeenschappelijke regeling loopt het handelingsperspectief langs vier lijnen.

De eerste is de vraag aan de eigen opdracht. Wie een norm uitvoert, kan weten op welke laag zij is vastgesteld en welke laag daaronder nog beweegt. De goedkeuring van de stof is Europees en staat tot 2033. De toelating van het middel is nationaal en wordt periodiek opnieuw beoordeeld met de dan geldende richtsnoeren. De regulering van het gebruik is nationaal en op onderdelen lokaal. De drie lagen bewegen onafhankelijk. Wie de eerste laag voor de hele werkelijkheid houdt, mist de twee waarop de eigen handelingsruimte ligt.

De tweede is de gele-kwadrantsbeweging die binnen bereik ligt. Het verbod op professioneel gebruik buiten de landbouw is een bestaande, door de hoogste rechter overeind gehouden scheiding. Voor gemeenten ligt het relevante werk daarmee in het bewaken van de uitzonderingen, het onderbouwen van het eigen beeldkwaliteitsniveau, en het weerstaan van de druk om via uitzonderingsgronden terug te keren naar chemische bestrijding zodra de budgetten krap worden. Minder groots dan een motie over een Europese stemming, en dichter bij de eigen bevoegdheid.

De derde is: meet je eigen maatregel. De belangrijkste bevinding van dit dossier is dat de vraag of het verbod werkte na tien jaar niet met gezag te beantwoorden is. Voor een gemeente, waterschap of omgevingsdienst is dat een opgave met een prijs. Metingen van bestrijdingsmiddelen in stedelijk water en effluent zijn kostbaar en staan laag in de prioritering. Precies daarom verdwijnen zij. En precies daarom staat een maatregel zwak zodra hij wordt aangevochten. Een norm zonder meetreeks is niet geborgd, hoe breed de steun ervoor ook is.

De vierde is de borging van de norm zelf. Die toets is hier al eens bijna negatief uitgevallen. Tussen november 2020 en juli 2022 was het verbod onverbindend, en niet op inhoudelijke gronden maar wegens een gebrek aan wettelijke grondslag. Het wetsvoorstel dat die grondslag alsnog moest leveren is er niet gekomen: het is eind 2024 ingetrokken. Datzelfde geldt voor de nog niet ingevulde grondslag voor het verplichten van alternatieven. Een bevoegdheid zonder regeling is een belofte met een wetsartikelnummer.

Blijft over de positie van wie deze analyses maakt. Een stelsel met drie lagen die onafhankelijk bewegen, waarin de Europese laag minder bindt en de nationale laag meer ruimte biedt dan gedacht, produceert precies het soort vraagstuk waarvoor organisaties externe hulp inhuren. Dat geldt voor mijn eigen praktijk. Het tegenwicht is een afspraak: de opdracht is pas af wanneer de opdrachtgever de opdrachtnemer terugvraagt om vast te stellen wat er is blijven staan.

Twee bevindingen blijven staan.

De eerste. Het stelsel produceert een handeling met volledige rechtskracht en zonder auteur, doordat het de afwezigheid van een oordeel als geldige uitkomst heeft ingebouwd. Wie in zo’n stelsel de uitkomst wil beïnvloeden door zich te onthouden, heeft de rekenkunde niet gelezen. Zoek daarom de laag waarop het besluit toerekenbaar is. Bij de stofgoedkeuring is dat niemand. Bij de middeltoelating is dat een Nederlands zelfstandig bestuursorgaan met een gemotiveerd besluit en een rechtsgang. Bij de gebruiksregulering is dat de Nederlandse wetgever, met een besluit dat tot in cassatie is uitgeprocedeerd. Hoe lager de laag, hoe beter de auteur aanwijsbaar is, en hoe beter het besluit aanvechtbaar en te borgen.

De tweede keert het gebruikelijke beeld om. Er is hier niets verborgen geweest. De ontbrekende toetsingskaders staan in de conclusie van de beoordelende autoriteit. De comitologie-rekenkunde staat in de Kamerbrief waarin de onthouding werd aangekondigd. De doorwerking naar de nationale laag staat in dezelfde brief. En dat de constructie over vier stoffendomeinen heen dezelfde is, heeft een bewindspersoon zelf opgeschreven. Het probleem is dat de informatie verspreid lag over registers die elkaar niet corrigeren, in dezelfde stukken, bij dezelfde ondertekenaars.


Voetnoten


Colofon

Reeks IV — De gedissocieerde Unie · The Dissociated Union Statecraft Series IV · Nº 03 De EFSA en de comitologie · Case-paper op de regulatieve as

Auteur: Jacob Huibers Uitgever: HOUSE OF VIRIDIAN OÜ · Tallinn · Lissabon Contact: jacob@statecraft.nl · statecraft.nl

Manuscript-verwijzing: De Richting van de Beweging: Interim-Management in de Publieke Sector (manuscript in voorbereiding), voor de veranderkleuren en borging als primaire toets. Verwante delen: Nº 00 De kerk zonder gemeente (statecraft.nl, augustus 2026) · Nº 01 Het Brusselse patroon (statecraft.nl, augustus 2026) · Nº 02 De EMA en de nosologie (statecraft.nl, augustus 2026) · Nº 04 en Nº 05 (in voorbereiding) · Nº 06 De ongetelde keten (statecraft.nl, juni 2026) · Nº 07 De rekenkamer-cascade (in voorbereiding) · Nº 08 synthese (in voorbereiding). Verwante reeksen: Reeks III Nº 03 De woordcontinuïteit die de materiële breuk maskeert en Nº 04 De optimalisatie-asymmetrie.

Gecorrigeerd op 18 september 2026: noot 23 plaatste de Zembla-uitzending van 29 september 2024 vóór die van april; zij kwam later. De titel van die uitzending is toegevoegd.

© 2026 House of Viridian OÜ

Footnotes

  1. Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2660 van de Commissie van 28 november 2023 tot hernieuwing van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat, geldig tot 15 december 2033. De verordening stelt aanvullende voorwaarden, waaronder een verbod op vóóroogsttoepassingen die gewassen oogstrijp maken, de mogelijkheid voor lidstaten de dosering te beperken, en bijzondere aandacht voor grondwaterbeschermingsgebieden. ↩

  2. Verordening (EU) nr. 182/2011, artikel 5, vierde lid. De Commissie mag bij het uitblijven van een advies vaststellen, behalve op enkele in het artikel genoemde terreinen, wanneer de basishandeling anders bepaalt, of wanneer een gewone meerderheid van de comitéleden zich ertegen verzet. ↩

  3. Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2660, overwegingen. De aanvraag is ingediend op 13 december 2019 door de Glyphosate Renewal Group. De vier lidstaten zijn aangewezen overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012. ↩

  4. ECHA, Glyphosate: no change proposed to hazard classification, 30 mei 2022. Het advies is in juli 2022 gepubliceerd. De bestaande indelingen voor ernstig oogletsel en giftigheid voor in het water levende organismen met langdurige gevolgen bleven ongewijzigd. ↩

  5. EFSA, Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance glyphosate, EFSA Journal 2023;21(7):8164, gepubliceerd 26 juli 2023. ↩

  6. Idem. De formulering luidt dat een hoog langetermijnrisico voor zoogdieren werd geconcludeerd voor twaalf van de 23 representatieve toepassingen op basis van eerstetrapsaannames, en dat geschikte gegevens om de risicobeoordeling te verfijnen niet beschikbaar waren. De datalacunes betreffen onder meer een onzuiverheid, de consumentenblootstelling via voeding en de risicobeoordeling voor waterplanten. ↩

  7. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:547 (middel op basis van cypermethrin), 548 en 549 (glyfosaathoudende middelen). De weergave volgt het persbericht van de Rechtspraak van dezelfde datum; bij verschil is de uitspraak beslissend. De volledige uitspraken zijn niet integraal geraadpleegd. In de zaak van Meten=Weten kwam het college niet toe aan de beoordeling van vijf middelen omdat die inmiddels niet meer verkocht of gebruikt mogen worden. Het oordeelde daarnaast dat het Ctgb de Habitatrichtlijn niet hoeft toe te passen, omdat het onder de Wet natuurbescherming niet het bevoegde bestuursorgaan is. ↩

  8. EFSA, Peer review, 2023, samenvattende conclusies in het onderdeel ecotoxicologie. ↩

  9. Ctgb, Ctgb neemt eerste twee glyfosaatbesluiten, 19 december 2019, en de daaropvolgende verslaggeving. Het college tekende in beide besluiten aan dat de menselijke gezondheid niet in het geding was. Deze besluiten stammen uit de herbeoordelingsronde na de Europese goedkeuring van 2017, niet uit de ronde na 2023. ↩

  10. Afschrift van de brief van het Ctgb aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de deskundigenbijeenkomst toetsing carcinogeniteit van 7 februari 2025, meegezonden met de Kamerbrief van mei 2025 in aanloop naar het commissiedebat van 15 mei 2025. Voor de oproep tot heranalyse zie de publicaties van G.R. de Snoo, M.G. Vijver, M. Visser en M. van ’t Zelfde, Centrum voor Milieuwetenschappen, Universiteit Leiden, mei 2025. Laatstgenoemde is medeauteur van het in noot 31 aangehaalde onderzoek naar het gebruiksverbod. ↩

  11. Motie van het lid Podt, Kamerstuk 27 858, nr. 723, voorgesteld 3 september 2025, aangenomen 9 september 2025. De motie overweegt dat een tweezijdige toetsing het kankerrisico versluiert omdat twee keer zoveel tumoren nodig zijn voor een significant verband, en dat het Ctgb sinds kort internationaal voor eenzijdige toetsing pleit. Voor stemden SP, GroenLinks-PvdA, PvdD, DENK, Volt, D66, NSC, ChristenUnie, CDA, VVD en JA21. De gewijzigde motie van het lid Bromet (nr. 729) die om een verbod vroeg, werd dezelfde dag verworpen. ↩

  12. IARC, Monografie deel 112, classificatie maart 2015, volledige monografie juli 2015. Groep 2A, op grond van beperkt bewijs bij mensen, voldoende bewijs bij proefdieren en sterk bewijs voor genotoxiciteit. ↩

  13. Voor de methodologische vergelijking zie J.V. Tarazona e.a., ‘Glyphosate toxicity and carcinogenicity: a review of the scientific basis of the European Union assessment and its differences with IARC’, Archives of Toxicology 91 (2017). Deze bron is afkomstig van auteurs verbonden aan EFSA en moet als zodanig worden gewogen. Voor de tegenovergestelde lezing zie de publicaties van C.J. Portier en van Pesticide Action Network Europe. Dit paper neemt op de toxicologische vraag geen standpunt in. ↩

  14. Ctgb-advies op voorstel Europese Commissie om de goedkeuring van glyfosaat te hernieuwen, 6 oktober 2023, bijlage bij Kamerstuk 27 858, nr. 636. De passages staan op pagina twee van het advies en zijn woordelijk aangehaald in het commissiedebat van 10 oktober 2023 (Kamerstuk 27 858, nr. 639). Het advies zelf is niet integraal geraadpleegd; het staat op een portaal dat geautomatiseerde raadpleging uitsluit. ↩

  15. Europese Commissie, Verslag over de werking van de comités in 2024, COM(2025) 642 final, 27 oktober 2025. Naast de uitvoeringshandelingen werden 67 maatregelen vastgesteld onder de regelgevingsprocedure met toetsing. ↩

  16. Europese Commissie, Verslag over de werking van de comités in 2023, COM(2024) 465 final, 22 oktober 2024, en COM(2025) 642 final. In 2024 ging het om 21 gevallen zonder advies en twee negatieve adviezen. Het negatieve advies in 2023 betrof etiketteringsvoorschriften voor twee nieuwe voedingsmiddelen, α- en γ-cyclodextrine. De twee negatieve adviezen van 2024 hebben de vaststelling niet verhinderd: de ene handeling is vastgesteld nadat het comité van beroep geen advies uitbracht, de andere nadat een gewijzigde versie opnieuw in stemming was gebracht. ↩

  17. COM(2024) 465 final, tabel V. Het comité stemde in alle gevallen in vergadering en niet via schriftelijke procedure. Drie van de 22 handelingen zijn in 2024 vastgesteld. De cijfers over 2024 zijn ontleend aan COM(2025) 642 final, tabel V. ↩

  18. Voorstel van de Commissie van 14 februari 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011, met toelichting. Het voorstel bevatte vier elementen: onthoudingen buiten beschouwing laten bij de berekening in het comité van beroep, een tweede verwijzing op ministerieel niveau, de mogelijkheid de Raad om een niet-bindend advies te vragen, en openbaarmaking van het stemgedrag. ↩

  19. Intrekking aangekondigd in bijlage IV van het werkprogramma van de Commissie voor 2025, COM(2025) 45 final, gepresenteerd op 11 februari 2025, en bekendgemaakt in het Publicatieblad van 6 oktober 2025. Tegelijk is het voorstel tot aanpassing van de resterende bevoegdheden onder de regelgevingsprocedure met toetsing ingetrokken. Het Parlement had zijn standpunt in oktober 2020 vastgesteld; de posities van Parlement en Raad bleven volgens de jaarverslagen van de Commissie ver uiteenlopen. ↩

  20. COM(2025) 642 final. Tegen 73 in 2023 en 72 in 2022. ↩

  21. Ctgb, Financiering en tarieven en Zelfstandig bestuursorgaan, ctgb.nl, en Tarievenbesluit Ctgb 2024, Staatscourant 2023, 32462. De tarieven behoeven goedkeuring van de minister. ↩

  22. Kamerstuk 27 858, nr. 636, Standpunt inzake hernieuwing van de goedkeuring van glyfosaat in de EU, 10 oktober 2023, met vier bijlagen waaronder het Ctgb-advies en de beslisnota. De motie is die van de leden Vestering en Bromet, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1570, ingediend en aangenomen op 7 september 2023. Alle in §05 weergegeven elementen zijn aan deze brief ontleend: de aantallen studies, de drie open punten, de drie punten van de stemverklaring en de uiteenzetting van de comitologieprocedure onder het kopje Tot slot. ↩

  23. Zembla, Glyfosaat, de goedkeuring van gif, uitzending 14 april 2024, met publicaties van 11 en 14 april 2024, op basis van documenten verkregen via de Wet open overheid. Het Woo-besluit met bijlagen is op 26 maart 2024 gepubliceerd door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en betreft januari 2023 tot en met 31 oktober 2023. Zembla besteedde later, op 29 september 2024, in Glyfosaat, de pr-machine van de pesticide-industrie een uitzending aan de communicatiestrategie van de sector. ↩

  24. Vragen van de leden Ouwehand en Kostić aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat, ingezonden 19 april 2024 (2024Z07014), beantwoord door minister Harbers op 13 mei 2024, Aanhangsel Handelingen II 2023/24. Antwoord 1; antwoord 3 verwijst daarnaar terug. ↩

  25. Idem, antwoord 5. De opsomming van biociden, medicijnen, voedselcontactmaterialen en het generieke stoffenbeleid staat woordelijk in dat antwoord. De antwoorden 7 tot en met 9 en 11 vermelden dat uitsluitend met collega-bewindspersonen is gesproken, in onderraden, ministerraden en interne voorbereidende overleggen. ↩

  26. Vragen van dezelfde leden aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, ingezonden 19 april 2024 (2024Z07016), beantwoord door staatssecretaris Heijnen mede namens de minister van LNV op 13 mei 2024, Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 1710, antwoord 3. Antwoord 2 vermeldt dat de minister van LNV de Europese Commissie heeft opgeroepen een toetsingskader voor neurodegeneratieve effecten te ontwikkelen. Antwoord 11 wijst voor ingrijpen naar het Ctgb als bevoegde toelatingsautoriteit. ↩

  27. Persbericht Rechtspraak bij de uitspraken van 14 oktober 2025. ↩

  28. Reactie van Nefyto op de Ctgb-besluiten van december 2019, weergegeven in de vakpers. ↩

  29. Besluit van 9 maart 2016 tot wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, Staatsblad 2016, 112, artikel 27b, met de in het tweede lid voorziene mogelijkheid van uitzonderingen bij ministeriële regeling. Kamerstuk 27 858, nr. 636 noemt als uitzonderingen onder meer spoorwegen en vliegvelden, en vermeldt dat glyfosaat voor consumenten in Nederland niet verkrijgbaar is. ↩

  30. Gerechtshof Den Haag 24 november 2020; Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1032 (Staat/Nefyto). De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte geen aandacht had besteed aan de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 27b, tweede lid, en aan de stellingen van de Staat over noodzakelijkheid, geschiktheid en evenredigheid. De zaak is verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. De stand na verwijzing is niet vastgesteld. Het wetsvoorstel dat het verbod een eigen wettelijke grondslag moest geven, Kamerstuk 35 756, is op 20 december 2024 ingetrokken nadat twee aangenomen amendementen de strekking ervan hadden veranderd; de beweegredenen en een aangekondigd alternatief staan in de brief van 24 april 2025. ↩

  31. R. Knoben en N. Schoffelen (Royal HaskoningDHV) en W. Tamis en M. van ’t Zelfde (Centrum voor Milieuwetenschappen, Universiteit Leiden), Effecten van het gebruiksverbod gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw op oppervlaktewater: een analyse van meetgegevens, referentie BG2083WATRP1809240812, 26 oktober 2018, in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het rapport is aan de Tweede Kamer aangeboden. ↩

  32. Idem, hoofdstuk 4 en 6. De vier effectvariabelen zijn: percentage normoverschrijdende meetpunten, maximale normoverschrijdende concentratie, percentage normoverschrijdende metingen en gemiddelde normoverschrijdende concentratie. Alleen op de tweede is een significant verschil aangetoond (P kleiner dan 0,05 eenzijdig). De periode vóór het verbod is gedefinieerd als 2010 tot en met 2016, de periode erna als 2017 en 2018, met van alle jaren alleen de eerste helft. De onderzoekers noemen als beperkingen de grote spreiding, het kleine aantal meetpunten en meetjaren, de moeilijke afbakening van de periodes doordat het verbod in twee stappen inging, en signalen dat het verbod niet volledig is nageleefd. ↩

  33. Idem, hoofdstuk 3 en 5. De bronnenverdeling betreft het Nederlandse deel van het Maasstroomgebied in 2010 en is ontleend aan J. Klein, R. Kruijne en S. de Rijk, Bronnenanalyse van stoffen in het oppervlaktewater en grondwater in het stroomgebied Maas, Deltares en Alterra, 2013. Uit inspecties van de NVWA in 2017 bleek daarnaast bij meer dan de helft van de inspecties een overtreding van het gebruiksverbod op verharde bedrijfsterreinen. Een geactualiseerde nalevingsreeks voor dit verbod is niet gepubliceerd; de NVWA publiceert wel jaarlijkse cijfers voor toepassingsinspecties in de landbouw, met nalevingspercentages van 76 in 2022, 68 in 2023 en 67 in 2024. ↩

  34. Motie van het lid Nijhof-Leeuw, Kamerstuk 27 858, nr. 694, en gewijzigde motie van het lid Nijhof-Leeuw c.s., Kamerstuk 27 858, nr. 697, beide van 19 december 2024 en beide aangenomen. Het aandeel van 93 procent is in de motie ontleend aan cijfers van het CBS en betreft een andere bronverdeling dan het in noot 33 genoemde aandeel; beide wijzen in dezelfde richting maar zijn niet inwisselbaar. Of het onderzoek is uitgevoerd en wat het heeft opgeleverd, is niet vastgesteld. ↩

  35. Gewijzigde motie van de leden Tjeerd de Groot en Bromet, Kamerstuk 27 858, nr. 599; uitvoeringstoezegging in Kamerstuk 27 858, nr. 636. De route is de wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (alternatieven chemische gewasbeschermingsmiddelen). ↩

  36. Beantwoording van Kamervragen door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, mei 2025. ↩

  37. Kamerstuk 27 858, nr. 636, onder Standpunt, punten 1 tot en met 3. Over de voortgang wordt halfjaarlijks aan de Eerste Kamer gerapporteerd; de rapportage over 2026 is op 26 mei 2026 voor kennisgeving aangenomen. ↩

  38. EFSA, mandaten M-2024-00086 en M-2024-00101, gepresenteerd in het overleg van het netwerk gewasbeschermingsmiddelen van oktober 2024. Aan de betrokken werkgroep neemt onder meer het Ctgb deel. ↩

  39. Ctgb, Voorlopige appreciatie artikel Panzacchi et al. 2025, 26 juni 2025, met het nieuwsbericht Geen nieuwe inzichten in Italiaans kankeronderzoek met ratten; Kamerbrief van 26 juni 2025 met oplegger, Kamerstuk 27 858, nr. 715, tevens aangeboden aan de Eerste Kamer voor het mondeling overleg van 1 juli 2025. Het college vermeldt dat glyfosaat voor de goedkeuring van 2023 op carcinogeniteit is beoordeeld op basis van zes studies volgens OESO-richtlijnen. ↩

  40. S. Panzacchi e.a., ‘Carcinogenic effects of long-term exposure from prenatal life to glyphosate and glyphosate-based herbicides in Sprague-Dawley rats’, Environmental Health 24 (2025) 36. ECHA, dossierpagina glyfosaat: verzoek van de Commissie op grond van artikel 77, derde lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 1907/2006; gerichte consultatie tot 31 maart 2026; termijn voor het advies 1 januari 2027. Het comité besprak de studie in zijn 77e vergadering van juni 2026. Het Duitse BfR publiceerde in juli 2025 een eerste analyse waarin het om nadere statistische analyse vraagt. Begin september 2026 is het geactualiseerde advies niet vastgesteld. ↩

  41. Gerecht van de Europese Unie, 19 november 2025, zaken T-412/22 (dimoxystrobin), T-94/23 (boscalid) en T-565/23 (glyfosaat). Vernietigd zijn de besluiten tot afwijzing van de verzoeken om interne herziening op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1367/2006. De lopende procedure tegen de hernieuwing zelf is zaak T-639/24. ↩

  42. Analyse van deze uitspraken op de European Law Blog, januari 2026. Het door de eisende organisaties genoemde aantal van 136 verlengingen in 2021, betreffende ongeveer dertig procent van de goedgekeurde werkzame stoffen, is een opgave van die organisaties en is niet uit een primaire bron geverifieerd; het wordt hier niet in de lopende tekst gebruikt. ↩

  43. COM(2025) 1030 final, 16 december 2025, procedure 2025/0410(COD), tot wijziging van onder meer Verordening (EG) nr. 1107/2009 en Verordening (EU) nr. 528/2012. Tijdgebonden goedkeuring blijft behouden voor stoffen die in aanmerking komen voor vervanging en voor bepaalde andere stoffen. Voor de wetenschappelijke kritiek zie het commentaar in Science, juni 2026. ↩

  44. Raad van de Europese Unie, gedeeltelijk onderhandelingsmandaat van 27 mei 2026; dat mandaat ziet op de wijzigingen van Richtlijn 2009/128/EG en niet op de bepalingen over werkzame stoffen, waarover de besprekingen doorlopen. Voortgangsverslag en compromistekst van het voorzitterschap van 8 juni 2026, document ST 10004/2026. Dat die compromistekst goedkeuring zonder tijdslimiet beperkt tot laagrisicostoffen en tegelijk de hernieuwingstermijn voor conventionele stoffen tot vijfentwintig jaar verlengt, en dat zij op 12 juni 2026 onvoldoende steun kreeg waarna ook op 26 juni geen akkoord volgde, is ontleend aan de verslaggeving van Pesticide Action Network Europe; de compromistekst zelf is niet integraal geraadpleegd. In het Europees Parlement behandelen de commissies ENVI en AGRI het voorstel gezamenlijk, met Herbert Dorfmann en Michele Picaro als rapporteurs; het ontwerpverslag is op 6 juli 2026 gepresenteerd en de commissiestemming is voorzien op 5 oktober 2026. Volgens een analyse van Pesticide Action Network Europe zouden zonder inperking negenenveertig synthetische werkzame stoffen per 1 januari 2027 automatisch een onbeperkte goedkeuring krijgen, waaronder glyfosaat; dat cijfer is een opgave van die organisatie en is niet zelfstandig geverifieerd. ↩