24 oktober 2026 · analyse
De klok die de norm haalt
Vanaf 2027 moet elke jeugdregio beschrijven hoe zij maximaal aanvaardbare wachttijden formuleert. Niemand meet het wachten per kind, en waar het buitenland wel meet, bepaalt de definitie van de klok of de norm gehaald wordt.
In de regio Gooi en Vechtstreek gaf een wachttijddashboard begin 2025 voor ongeveer driekwart van de toewijzingen in de jeugdhulp een wachttijd van nul dagen. Wachttijd was daar de tijd tussen het toewijzingsbericht van de gemeente en de eerste declaratie van de aanbieder. Het eindrapport van het landelijke programma noemt die nul “feitelijk onmogelijk”: de startdatum van de zorg werd gelijkgesteld aan de begindatum van de eerste declaratie.1 De regio werkt sindsdien aan betere afspraken over die berichten.
Het getal is een registratiefout, en het is meer dan dat. Ook een dashboard dat de berichten goed verwerkt, meet de tijd tussen berichten. Het wachten van een kind begint eerder, bij de hulpvraag, en loopt vaak al voordat er een bericht wordt verstuurd.
Dat verschil is klein in een dashboard en groot in een wet. Vanaf 1 januari 2027 moet elke jeugdregio in haar regiovisie de aanpak van wachttijden beschrijven, en de manier waarop de gemeenten samen met aanbieders maximaal aanvaardbare wachttijden formuleren.2 De regio’s schrijven die visies nu. Hoe het wachten wordt geteld, schrijft de wet niet voor.
§01 Een norm zonder meting
Het landelijke programma Aanpak Wachttijden liep van 2021 tot en met 2025. Het dashboard dat het opleverde, was technisch gereed en werd niet landelijk ingevoerd. Het programma noemt juridische obstakels, het ontbreken van eenduidige definities en de kwaliteit van de data; randvoorwaarden en beheer waren niet op orde. In november 2023 ging de opdracht over naar de Hervormingsagenda.3 In januari 2026 zette het kabinet in op het snel beschikbaar komen van landelijke standaarden voor het meten van wachttijden.4 De landelijke beleidsinformatie jeugd van het CBS kent een begin- en einddatum van het traject, en geen aanmelddatum.5
Wat er wel is, meet iets anders dan het wachten per kind. De Beschikbaarheidswijzer, begin 2025 in gebruik bij ongeveer de helft van de regio’s, toont per zorgvorm de wachttijd die aanbieders zelf invoeren.6 Regionale monitoren, begonnen in Rijnmond en uitgebreid naar onder meer Twente, vragen periodiek bij aanbieders uit hoe lang hun lijsten zijn.1 Ze tellen plekken en zorgvormen. Een kind dat bij drie aanbieders op de lijst staat, telt drie keer, en een kind dat nergens op een lijst komt, telt niet. Dat lijsten elkaar overlappen, is niet nieuw: een NJi-onderzoek uit 2017 haalde al aan dat wachtlijsten door dubbeltellingen langer lijken dan ze zijn.7
De Nederlandse Zorgautoriteit kreeg met de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg taken in de jeugdzorg. Zij doet stelselonderzoek en signaleert risico’s in het aanbod. Regels en tarieven stelt zij voor de jeugdzorg niet.8
Het resultaat is een wettelijke opdracht om normen te formuleren, zonder meetlat. Elke regio kiest zelf wanneer de klok begint, wanneer hij stopt en wie meetelt. Een maximum van acht weken betekent dan in de ene regio acht weken vanaf de hulpvraag, en in de andere acht weken vanaf de toewijzing.
§02 Waar wel gemeten wordt
Andere landen hebben die meetlat wel, en daar valt te zien wat er met een norm gebeurt zodra hij gemeten wordt.
Noorwegen registreert elk kind met zijn persoonsnummer in een nationaal patiëntenregister. De norm voor de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren is zorg binnen vijfenzestig werkdagen, ruim negentig kalenderdagen. Vrijwel alle trajecten halen die norm: 99,8 procent in de eerste vier maanden van 2026. Voor de norm start de klok pas wanneer de verwijzing is beoordeeld, en het begin van een onderzoek telt al als gestarte zorg.9 De gemiddelde wachttijd, gerekend vanaf de ontvangst van de verwijzing, lag in 2024 op tweeënvijftig dagen, ruim boven het streefgemiddelde van vijfendertig.9 Een ruime norm, een late start van de klok en een vroeg eindpunt maken samen dat hij gehaald wordt. Het gemiddelde vertelt intussen een ander verhaal dan het percentage.
Schotland hanteert de norm dat negentig procent binnen achttien weken na de verwijzing met de behandeling start. Het bouwt een dataset per kind, die nog als statistiek in ontwikkeling geldt. In het laatste kwartaal van 2025 werd 38,5 procent van de verwijzingen niet geaccepteerd.10 Een kind waarvan de verwijzing niet wordt geaccepteerd, wacht niet in de wachttijdcijfers. Dat is hetzelfde mechanisme als bij de Amsterdamse instroomstop die eerder in dit corpus is beschreven: de weigering wordt niet geteld.11
Zweden kiest de andere kant. De regio’s leveren maandelijks cijfers over wachtenden en gerealiseerde contacten, en de regelgeving staat niet toe dat de databank namen of persoonsnummers bevat. Zo ontstaan openbare cijfers, en blijven dubbele aanmeldingen en trajecten over regiogrenzen onzichtbaar.12 Vlaanderen volgt aanvragen voor niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp in een centrale databank, en registreert daar ook of een minderjarige tijdens het wachten andere hulp krijgt.13 De centra voor geestelijke gezondheidszorg beheren elk een eigen lijst en maken pas een dossier aan na het eerste contact. De Vlaamse minister stelt vast dat mensen vaak op meerdere wachtlijsten staan, en de hervorming kondigt een centraal wachtbeheer aan.14
Denemarken koos een recht. Sinds 1 januari 2026 moeten kinderen en jongeren in de psychiatrie binnen zestig dagen zijn onderzocht en met de behandeling zijn begonnen. Volgens cijfers van de Deense gezondheidsdatadienst die de omroep DR in juni 2026 publiceerde, was maar 22 procent van de verwezen kinderen binnen die termijn onderzocht.15 Een recht zonder capaciteit verandert de wachtlijst in een lijst van rechten die niet worden gehaald.
§03 Wat de vergelijking laat zien
De landen kiezen tussen zicht per kind via een centraal register met een persoonsnummer, en privacy zonder zicht per kind. Beide keuzes zijn verdedigbaar. Het patroon dat ze delen, is minder zichtbaar. Waar de norm wordt gemeten, bepaalt de definitie van de klok voor een groot deel of hij gehaald wordt. De klok start bij de beoordeling, het begin van een onderzoek telt als zorg, een niet-geaccepteerde verwijzing valt erbuiten. De norm wordt gehaald, en wat het kind ervaart, staat in een ander getal.
Dit is de telbaarheidsval in haar zuiverste vorm. Wat geteld wordt, gaat het gedrag bepalen. Donald Campbell formuleerde het in 1976 al: hoe meer een kwantitatieve indicator wordt gebruikt voor maatschappelijke besluitvorming, hoe meer hij blootstaat aan druk om hem te vertekenen, en hoe meer hij het proces vervormt dat hij moet bewaken.16 Een wachttijdnorm in een regiovisie wordt precies zo’n indicator. Zodra een regio erop wordt aangesproken, verschuift de aandacht naar de plek waar de klok begint.
In termen van de Strategische Driehoek van Mark Moore zit de norm op de hoek van de legitimiteit: de wetgever laat zien dat wachten een probleem is en legt vast dat er normen komen. De operationele capaciteit, behandelaars en plekken, verandert er niet door. De publieke waarde, een kind dat op tijd geholpen wordt, wordt nergens per kind gemeten. In De vierde ronde stelde ik vast dat alle ontwerprondes in de jeugdzorg op dezelfde hoek zitten.17 De wachttijdnorm is er een vijfde.
§04 Wat een strengere norm niet kan
De reflex na een tegenvallend cijfer is een strengere norm, of een kortere termijn, of een landelijk maximum in plaats van een regionaal. Noorwegen en Denemarken laten zien wat dat oplevert. In het ene land wordt de norm gehaald met een ruime termijn en een klok die laat begint. In het andere wordt hij niet gehaald, en blijft het een recht op papier. Een strengere norm zonder vaste definitie van de klok verplaatst de druk naar de definitie. Een strengere norm met een vaste definitie maar zonder capaciteit verplaatst haar naar de verwijzer, die leert wie er beter niet wordt aangemeld.
Meer toezicht helpt evenmin. De NZa signaleert risico’s in het aanbod, en dat is waardevol. Een toezichthouder die aanbieders vraagt naar hun lijsten, ziet de lijsten van aanbieders. Het kind dat tussen twee lijsten valt, of op drie lijsten staat, ziet hij niet.
§05 Wat zou werken
De regiovisies worden nu geschreven. Vier keuzes kunnen daarin worden vastgelegd, en geen ervan vraagt een nieuwe wet.
- Leg vast waar de klok begint en eindigt. De klok start bij de hulpvraag of de verwijzing, niet bij de beoordeling of de toewijzing. Hij stopt bij de start van de behandeling die bij de hulpvraag past, niet bij het eerste gesprek.
- Tel de afwijzing mee. Een verwijzing die wordt afgewezen of doorgestuurd, telt mee in de wachttijd, met de plek waar het kind daarna terechtkwam. Anders verdwijnt het moeilijkste deel van de lijst uit de cijfers.
- Tel kinderen naast aanmeldingen. Een regio die alleen aanmeldingen telt, ziet niet hoeveel kinderen er wachten. Hoe dat kan zonder een nieuw centraal register, is een ontwerpvraag die de regio’s zelf moeten beantwoorden, binnen de privacyregels die daarvoor gelden.
- Leg vast of een kind tijdens het wachten hulp krijgt. Vlaanderen doet dit al. Een regio die belooft dat kinderen wachten met hulp, kan die belofte alleen toetsen als het per kind wordt vastgelegd.
De menselijke neiging om een norm te halen wordt daarmee niet ontkend en niet geforceerd, maar omgeleid via een ontwerp dat het halen van de norm via de definitie minder loont dan het halen ervan via de zorg.
§06 Voor wie de regiovisie schrijft
Wie in een regio de regiovisie opstelt, beschrijft hoe de gemeenten met aanbieders tot een maximale wachttijd komen. Vroeg of laat staat er een getal: zoveel weken. Dat getal krijgt pas betekenis met de zinnen eromheen. Waar begint de klok, wie telt mee, wat gebeurt er met een afwijzing, en hoe weten we of een kind tijdens het wachten hulp heeft? Die zinnen zijn minder zichtbaar dan het getal, en ze bepalen of het getal over kinderen gaat of over berichten.
In de interim-praktijk is dit een bekend moment. Een nieuwe verplichting komt binnen als een getal, en de organisatie zoekt het getal dat ze kan halen. De waarde van een kwartiermaker zit hier in de vraag die nog niemand stelt: wat meten we eigenlijk, en wat zou er zichtbaar worden als we het anders telden?
§07 De open vraag
De regio’s schrijven hun visies nu, terwijl de landelijke standaard voor het meten nog wordt gebouwd. Komt die standaard er pas nadat de regiovisies zijn vastgesteld, dan zijn er ruim veertig klokken, elk met een eigen begin. Wat ik vermoed, en niet kan bewijzen, is dat de regio’s dan vooral de klok gaan kiezen die ze al hebben: het berichtenverkeer. Dan halen ze de norm, net als Noorwegen.
De vraag die overblijft, is wie de klok vaststelt. Het Rijk, dat de standaard belooft. De regio’s, die de normen moeten formuleren. Of de aanbieders, die vandaag de enige zijn die de lijst bijhouden.
Over de afzender. De auteur is kwartiermaker van een van de 41 jeugdregio’s. Die regio schrijft een regiovisie waarin de aanpak van wachttijden die dit stuk bespreekt een plek moet krijgen. Daarnaast werkt hij aan een eigen product voor het meten van wachttijden in de jeugdhulp. Cijfers en stukken uit zijn eigen regio en uit dat product zijn in dit stuk niet gebruikt; alle bronnen zijn openbaar.
Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.
Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.
Footnotes
-
Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd, Eindrapportage Aanpak Wachttijden 2025, 24 november 2025, verschenen 14 januari 2026, p. 39 en p. 55. ↩ ↩2
-
Artikel 2.2, derde lid, onder c, Jeugdwet en artikel 2.2.1, onder b, Besluit Jeugdwet, zoals gewijzigd door de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Stb. 2025, 274); de verplichtingen over regionale samenwerking treden in werking op 1 januari 2027 (Stb. 2025, 283 en 358). ↩
-
Eindrapportage Aanpak Wachttijden 2025 (noot 1), tijdlijn, p. 39. ↩
-
Voortgangsbrief Jeugd, 27 januari 2026, Kamerstukken II 31 839, nr. 1146. ↩
-
Serviceorganisatie Zorg Holland Rijnland, 25 februari 2025: ongeveer 23 van de toen 42 jeugdregio’s gebruiken de Beschikbaarheidswijzer; aanbieders voeren hun wachttijden per zorgcategorie en zorgvorm in. ↩
-
NJi, Wacht maar, 2017. ↩
-
NZa, NZa krijgt nieuwe taken in jeugdzorg, 7 oktober 2025; hoofdstuk 9a Jeugdwet. ↩
-
Helsedirektoratet, kwaliteitsindicatoren geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren: gemiddelde wachttijd (2024) en zorg binnen 65 dagen (eerste tertiaal 2026), met de indicatordefinities. ↩ ↩2
-
Public Health Scotland, Child and Adolescent Mental Health Services in CAPTND, 3 maart 2026 (kwartaal tot en met december 2025; acceptatiegraad 61,5 procent); de norm van 18 weken uit de officiële CAMHS-wachttijdcijfers. ↩
-
De weigering die niet geteld wordt, Statecraft, 22 september 2026. ↩
-
Socialstyrelsen, Väntetidsdatabasen. ↩
-
Opgroeien, achtergrondinformatie bij de INSISTO-registratie (wachtend zonder hulp, met andere hulp, met jeugdhulp). ↩
-
Vlaams Parlement, schriftelijke vraag nr. 379, 12 februari 2025; Vlaamse Regering, conceptnota jeugdhulp, 17 oktober 2025. ↩
-
DR, Ventetiden for børn og unge i psykiatrien stiger fortsat, 12 juni 2026, op basis van cijfers van de Sundhedsdatastyrelsen. ↩
-
Donald T. Campbell, Assessing the Impact of Planned Social Change, Occasional Paper nr. 8, Public Affairs Center, Dartmouth College, december 1976. ↩
-
De vierde ronde, Statecraft, 21 september 2026. ↩