Statecraft

22 september 2026 · commentaar

De weigering die niet geteld wordt

Een instroomstop in de Amsterdamse jeugdzorg, een melding die langs de raad liep, en twee boekhoudingen van dezelfde kinderen

door Jacob Huibers

Sinds 1 juli is voor twaalf Amsterdamse kinderen en jongeren hulp geregeld bij een andere aanbieder dan Levvel. Zes van hen kwamen buiten de regio terecht, in IJmuiden, Utrecht of Hilversum. Dat getal staat in een raadsbrief van de wethouder Jeugdzorg, en in dezelfde brief staat de zin die het getal zijn betekenis ontneemt: het werkelijke aantal getroffen kinderen kan hoger liggen, omdat niet wordt geregistreerd wanneer een kind bij Levvel wordt geweigerd.1

De gemeente weet dus hoeveel kinderen er alsnog een plek kregen. Zij weet niet hoeveel er aan de deur stonden. Twaalf is de telling van de oplossingen, en het probleem zelf heeft geen teller.

Achter die zes plaatsingen buiten de regio zit iets wat in geen raadsbrief past. Een kind dat niet thuis kan blijven, heeft al een breuk achter de rug. Wie dan in Hilversum of IJmuiden terechtkomt in plaats van in de eigen stad, verliest daarbovenop de school, de vrienden, de sportclub, en ziet de eigen ouders alleen nog als iemand bereid is te rijden. Een uithuisplaatsing ver weg is twee breuken tegelijk. Hulpverleners proberen juist die tweede te voorkomen, omdat zij weten hoe moeilijk de weg terug wordt als de eerste niet meer wordt overbrugd.

§01 · De tijdlijn

De gemeente heeft zelf een tijdlijn opgesteld, en die is leerzaam in wat zij achter elkaar zet.1 Op 7 april meldt Levvel dat een opnamestop dreigt; de toenmalige wethouder Jeugdzorg wordt twee dagen later geïnformeerd. Het financiële gat over 2025 blijkt in het voorjaar 2,9 miljoen euro, en Levvel verwacht voor 2026 een tekort van 3 tot 4 miljoen, op een budget van 100,2 miljoen voor aanvullende jeugdhulp. Op 17 juni melden gemeente en Levvel de problemen gezamenlijk bij de Nederlandse Zorgautoriteit, omdat de continuïteit van zorg in gevaar is. Op 30 juni kondigt Levvel aan dat het de volgende dag vrijwel geen nieuwe kinderen meer opneemt voor verblijf: gezinshuizen, begeleid wonen, kleinschalige groepen, klinische geestelijke gezondheidszorg.

Op 5 september publiceert Het Parool over de stop, en pas dan hoort ook de gemeenteraad ervan.2 Het college had de raad bewust niet ingelicht zolang de gesprekken met de aanbieder liepen;3 later erkent de wethouder dat dat eerder had gemoeten.1 Op 7 september schrijft de NZa gemeente en Levvel formeel aan. Binnen enkele weken moet er een plan liggen, met maatregelen, planning en uitvoering, daarna volgt maandelijkse verantwoording, en schiet dat tekort, dan kan de NZa beide officieel onder toezicht stellen.

Vijf maanden liggen tussen de eerste waarschuwing en het moment dat de volksvertegenwoordiging het weet. In die vijf maanden is er wel gemeld, alleen naar de toezichthouder.

§02 · Wat er niet geteld wordt

Een weigering is in de jeugdzorg geen gebeurtenis die ergens wordt vastgelegd. Een kind dat verblijf nodig heeft, wordt aangemeld, de aanbieder zegt nee, en de zoektocht gaat verder bij een volgende aanbieder of in een volgende regio. Wat in de systemen verschijnt, is de plaatsing die uiteindelijk lukt. De vraag die onbeantwoord bleef, laat geen spoor na.

In de systemen tenminste. In het veld laat zij een heel duidelijk spoor na. Een jeugdbeschermer of een medewerker van het buurtteam die een kind moet plaatsen, belt die dag de ene aanbieder na de andere, hoort drie keer nee, en moet aan het eind van de middag aan een ouder uitleggen dat het kind morgen naar de andere kant van de provincie gaat. Die professionals weten precies hoe vaak het deze zomer misging. Zij houden het bij in hun agenda, hun dossiernotities, hun geheugen. Wat ontbreekt, is een plek waar die kennis bij elkaar komt en waar een wethouder, een raad of een toezichthouder haar kan lezen.

Dat heeft een gevolg voor elke afweging die daarna wordt gemaakt. Levvel zegt 20 procent meer jongeren te helpen dan is afgesproken. De gemeente schrijft dat het totale aantal jongeren dat Levvel hielp tussen 2023 en 2025 nauwelijks toenam, en dat zij de claim over meer jongeren in verblijf ‘niet direct’ herkent.1 De brieven bevatten geen cijfers waarmee de lezer die twee beweringen naast elkaar kan leggen. Er is dus een geschil over volume, een budget dat op volume is gebaseerd, en geen gedeelde telling van het volume. En aan de kant waar de schade valt, bij de kinderen die niet werden opgenomen, is er helemaal geen telling.

Dit is het mechanisme dat De vierde ronde, eerder op deze site, voor de één-op-één plaatsingen beschreef: de afbouw van een voorziening krijgt een teller, wat ervoor in de plaats moet komen niet. In Amsterdam wordt nu zichtbaar hoe dat er op het niveau van één aanbieder uitziet. De stop is exact gedateerd en gecommuniceerd. Wat de stop kost, uitgedrukt in kinderen, weet niemand.

§03 · De melding die langs de raad liep

De meldplicht deed wat zij moest doen. Toen de continuïteit van zorg in gevaar kwam, meldden gemeente en aanbieder het bij de NZa, twee weken voordat de stop inging. Het stelsel heeft dus een alarm, en het alarm ging af. Het ging alleen af in een ruimte waar de raad niet zit.

Dat is een ontwerpkenmerk van hoe toezicht in de jeugdzorg is ingericht, en het is hetzelfde kenmerk dat De rekening van de handhaving in de bouw aantrof. Daar legde een geschil tussen twee private partijen ruim duizend bouwplaatsen stil, en had niemand de plicht het bevoegd gezag te vertellen welke dossiers geraakt waren. Hier is de informatie er wel, en zij loopt ook ergens heen, maar de route gaat van uitvoering naar toezichthouder. De volksvertegenwoordiging, die het budget vaststelt waar het tekort uit voortkomt, staat niet op die route. Of zij het hoort, hangt af van het oordeel van het college over het moment.

Dat oordeel is begrijpelijk. Een college dat midden in een onderhandeling met een aanbieder de raad informeert, geeft de onderhandeling uit handen: de aanbieder weet dan dat de politieke druk om te betalen zal oplopen. Zwijgen was in deze fase een onderhandelingsmiddel. Reeks I beschreef die figuur als de architectuur van het zwijgen: niet-melden is rationeel gedrag binnen een ontwerp dat het melden duurder maakt dan het wachten.4 De prijs van die keuze werd alleen niet betaald door het college of de aanbieder. Hij werd betaald door kinderen die tijdens de onderhandeling in Hilversum werden geplaatst.

§04 · Wat het toezicht meet

De NZa heeft een stevig instrument in handen, en zet het in. Maar kijk wat het toezicht volgt: een plan, een planning, een maandelijkse schriftelijke uitleg. Dat zijn documenten. Het toezicht kan beoordelen of de gemeente doet wat zij heeft opgeschreven. Het kan niet beoordelen hoeveel kinderen in de tussentijd zijn geweigerd, want dat getal bestaat niet, en het plan hoeft het niet te laten ontstaan.

De verleiding is om het antwoord te zoeken in meer van hetzelfde: strakkere voortgangsrapportages, een extra verantwoordingslaag, een verscherpt toezicht. Dat zou het probleem verplaatsen naar de papierstroom. De gemeente schrijft zelf dat zij onvoldoende zicht had op beschikbare plekken, wachtlijsten en doorstroom, en dat zij die gegevens voortaan structureel bij aanbieders wil verzamelen.1 Dat is de juiste richting, mits het om de goede gegevens gaat.

§05 · Wat zou werken

Vier ontwerpkeuzes, elk klein, en elk tegen de huidige praktijk in.

De eerste is een weigeringsregister. Elke aanmelding voor verblijf die niet binnen een afgesproken termijn tot opname leidt, wordt vastgelegd: datum, zorgvorm, reden, en waar het kind uiteindelijk terechtkwam. Het hoort als voorwaarde in het contract, en het kost een aanbieder een regel per aanmelding. Pas met dat register wordt de omvang van een stop een feit in plaats van een schatting, en krijgt wat de mensen aan de telefoon al weten eindelijk gewicht in het gesprek over geld.

De tweede is een gedeelde telling vóór de onderhandeling. Een geschil over de vraag of een aanbieder 20 procent meer kinderen helpt dan afgesproken, hoort niet over en weer in brieven te worden uitgevochten. Leg per kwartaal één dataset vast die aanbieder en gemeente allebei ondertekenen: aantallen in verblijf per zorgvorm, instroom, uitstroom, wachtenden. Het geschil kan dan over de prijs gaan, op basis van cijfers die beide partijen erkennen.

De derde is een overloopregel in het contract. Een vast budget is verdedigbaar, maar dan moet vooraf vastliggen wat er gebeurt met het kind dat binnenkomt als het budget op is: wie betaalt, tegen welk tarief, en wie beslist. Zonder die regel heeft de aanbieder één instrument, de deur dichtdoen, en heeft de gemeente er ook één, zeggen dat de aanbieder andere keuzes had moeten voorleggen. De menselijke neiging tot zelfbescherming wordt dan niet ontkend en niet geforceerd, maar omgeleid via een ontwerp dat de prikkel om eenzijdig de deur te sluiten minder loont dan de prikkel om vroeg aan te kloppen voor een voorzien bedrag. Dat maakt ook een patroon minder lonend dat zich in dit dossier aftekent: een tekort dat eerst klein wordt ingeschat en in het voorjaar 2,9 miljoen blijkt, een stop die volgens de gemeente eenzijdig kwam terwijl de gesprekken nog liepen, en een volumeclaim die niemand kan controleren. Of dat in Amsterdam een patroon is of een samenloop, is van buiten niet vast te stellen. Het ontwerp moet in beide gevallen hetzelfde doen, namelijk de volgende keer eerder op tafel brengen wat nu pas bleek toen de deur al dicht was.

De vierde is een meldroute die de raad meeneemt. Wanneer de gemeente de NZa meldt dat de continuïteit van zorg in gevaar is, krijgt de raad dezelfde melding, desnoods vertrouwelijk. Dat haalt het oordeel over het moment weg bij het college, en daarmee ook de verleiding om het zwijgen als onderhandelingsruimte te gebruiken. Een aanbieder die weet dat de raad meeleest vanaf de eerste melding, onderhandelt anders, en een gemeente ook.

§06 · De open vraag

Amsterdam is waarschijnlijk geen uitzondering. Veel gemeenten werken met een vaste budgetafspraak met een grote aanbieder, en nergens wordt de weigering geteld. Wat ik vermoed, en niet kan bewijzen, is dat instroomstops in de jeugdzorg vaker voorkomen dan de berichtgeving suggereert, en dat Amsterdam vooral opvalt omdat een krant ging tellen wat het stelsel niet telt. Hoeveel kinderen in Nederland op dit moment aan een gesloten deur staan, is een vraag die op dit moment niemand kan beantwoorden, ook de toezichthouder niet. Dat zou het eerste moeten zijn dat verandert.

Wat mij daarbij blijft verwonderen, is hoe dichtbij dat getal eigenlijk ligt. Elke aanmelding bestaat al ergens: in een mail, een verwijzing, een belnotitie. Elk nee ook. Waarom laat al dat verkeer rond één kind dan geen spoor na dat de professional, het gezin en desnoods de raad kunnen zien? Het is technisch geen raadsel meer om bij te houden wie rond een kind is benaderd en wie heeft geantwoord, op basis van de wettelijke taak of met toestemming van het gezin, en zonder alles in één centraal bestand te verzamelen. Dat het in de jeugdzorg niet gebeurt, lijkt een keuze die niemand ooit heeft gemaakt.

Elk van die kinderen wordt wel ergens gezien: door de professional die die middag de telefoon pakte, en door de ouder die hoorde waar het kind heen ging. Alleen het stelsel ziet het niet.

Noten


Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.

Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.

Footnotes

  1. Wethouder Jeugdzorg gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief over de opnamestop bij Levvel, september 2026, zoals weergegeven in D. Hielkema en R. van Riel, ‘Zorgautoriteit waarschuwt voor dreigend tekort aan zware jeugdzorg in Amsterdam en zegt Levvel en gemeente de wacht aan’, Het Parool, 21 september 2026. De brief van de NZa van 7 september 2026 is in hetzelfde artikel weergegeven. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5

  2. Het Parool, 5 september 2026; zie ook NL Times, ‘Vulnerable Amsterdam kids sent far from city as local youth care provider halts intake’, 5 september 2026. ↩

  3. Nationale Zorggids, ‘Door opnamestop Levvel worden Amsterdamse jongeren ver buiten de stad geplaatst’, 8 september 2026. ↩

  4. Statecraft Reeks I, De architectuur van het zwijgen. ↩